ECLI:NL:RVS:2026:954

ECLI:NL:RVS:2026:954

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 23-02-2026
Datum publicatie 19-02-2026
Zaaknummer BRS.25.001531
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 25 februari 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant 1 om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Uitspraak

BRS.25.001531

ECLI:NL:RVS:2026:954

Datum uitspraak: 23 februari 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:

1.[appellant 1],

2.[appellant 2], naar hij stelt handelend namens appellant 1,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 7 oktober 2025 in zaak nr. NL25.9371 in het geding tussen:

appellanten

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 25 februari 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant 1 om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij uitspraak van 7 oktober 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant 1 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben appellant 1 en appellant 2 hoger beroep ingesteld.

Appellant 1 en appellant 2 zijn in de gelegenheid gesteld om zich nader uit te laten.

Overwegingen

1. De termijn voor het instellen van hoger beroep eindigde op 14 oktober 2025. Het hogerberoepschrift van appellant 1 is daarna, op 15 oktober 2025, bij de Raad van State binnengekomen. Appellant 1 heeft het hogerberoepschrift daarom niet op tijd ingediend. Appellant 1 heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om redenen aan te voeren waarom het hoger beroep toch in behandeling moet worden genomen. Er doen zich in dit geval geen Bahaddar-omstandigheden voor als bedoeld in de uitspraak van de Afdeling van 22 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1664.

2. Appellant 2 heeft bij een afzonderlijk hogerberoepschrift, bij de Raad van State binnengekomen op 16 oktober 2025, namens appellant 1 hoger beroep ingesteld. Hij heeft daarbij geen schriftelijke machtiging overgelegd, waaruit blijkt dat hij door appellant 1 is gemachtigd om hoger beroep in te stellen. Bij aangetekend verzonden brief van 5 november 2025 is appellant 2 in de gelegenheid gesteld om tot en met 19 november 2025 alsnog een schriftelijke machtiging over te leggen. In de brief staat ook dat als hieraan niet wordt voldaan, het hoger beroep niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Appellant 2 heeft niet binnen de gestelde termijn een schriftelijke machtiging overgelegd en ook geen redenen aangevoerd waarom hij toch als gemachtigde van appellant 1 moet worden beschouwd.

3. De hoger beroepen zijn niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de hoger beroepen niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, griffier.

w.g. Sevenster

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Verbeek

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2026

574-1097

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. J. Verbeek

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand