BRS.25.002383
ECLI:NL:RVS:2026:98
Datum uitspraak: 12 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 5 december 2025 in zaak nr. NL25.42805 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 4 september 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 5 december 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Het hoger beroep richt zich niet tegen de uitspraak van de rechtbank. Appellant legt namelijk niet uit waarom de uitspraak van de rechtbank volgens hem niet juist is. Appellant heeft bij de rechtbank om aanhouding verzocht om te bewijzen dat zijn bescherming in Bulgarije was opgeschort. Dat is afgewezen. In het hogerberoepschrift voert hij aan dat hij een brief van de Bulgaarse ambassade heeft ontvangen waarin zou staan dat hij binnen twee maanden een opschortingsbesluit zal ontvangen. Appellant zou nog een maand moeten wachten op dit besluit. Hij heeft deze brief als bijlage bij zijn hogerberoepschrift meegestuurd. In die brief van de Bulgaarse ambassade staat echter dat appellant een tijdelijk reisdocument heeft aangevraagd. Dit stuk is alleen al daarom geen bewijs over zijn verblijfsstatus in Bulgarije. Het hogerberoepschrift is daardoor ook geen kritiek op de uitspraak van de rechtbank. Daarom kan de Afdeling geen inhoudelijk oordeel geven over het hoger beroep (artikel 85 van de Vw 2000).
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.C.M. van Trappen, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Trappen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2026
985