202504929/1/A2.
Datum uitspraak: 4 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 22 augustus 2025 in zaak nr. 25/14250 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Hattem.
Procesverloop
Bij brief van 5 maart 2025 heeft [appellant] beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het niet tijdig aanbieden van een woning door het college.
Bij uitspraak van 22 augustus 2025 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard om van het beroep kennis te nemen.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] heeft nadere stukken overgelegd.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 18 november 2025, waar [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Hattem, vertegenwoordigd door M. de Ruiter en S. van den Berg, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] heeft asiel aangevraagd in Nederland. Zijn aanvraag is goedgekeurd en hij beschikt sinds 11 november 2024 over een tijdelijke verblijfsvergunning. Op grond van artikel 28 van de Huisvestingswet dragen burgemeester en wethouders zorg voor de voorziening in de huisvesting van vergunninghouders in de gemeente overeenkomstig de voor de gemeente geldende taakstelling. Het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) heeft [appellant] gekoppeld aan de gemeente Hattem. Op 5 maart 2025 heeft [appellant] beroep ingesteld omdat het college heeft nagelaten om hem tijdig een woning toe te wijzen.
Aangevallen uitspraak
2. De rechtbank heeft zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het beroep van [appellant]. Volgens de rechtbank is er geen sprake van een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en ook niet van feitelijk handelen als bedoeld in artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
Procesbelang
3. Procesbelang is het belang dat een appellant heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het doel dat de appellant voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de appellant van feitelijke betekenis is. Degene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk. De vraag of er procesbelang is, wordt beantwoord naar de stand van zaken op het moment van de uitspraak. Als de appellant stelt schade te hebben geleden, kan belang bestaan bij een inhoudelijke beoordeling van het (hoger) beroep. Voor het aannemen van procesbelang moet tot op zekere hoogte aannemelijk zijn dat schade is geleden als gevolg van het besluit.
4. Hangende hoger beroep heeft het COa [appellant] ontkoppeld van de gemeente Hattem en gekoppeld aan de gemeente Zwolle. Dit betekent dat het college niet meer zorg hoeft te dragen voor huisvesting van [appellant]. Op de zitting is gebleken dat [appellant] binnen afzienbare tijd een woning kan betrekken in de gemeente Zwolle. [appellant] heeft op de zitting desgevraagd aangegeven dat hij schade heeft geleden omdat het college hem geen woning heeft toegewezen. Hierdoor kon hij onder andere nog niet beginnen aan zijn opleiding en integratietraject. De Afdeling ziet hierin voldoende aanknopingspunten dat [appellant] nog belang heeft bij een uitspraak op zijn hoger beroep.
Beoordeling van het hoger beroep
5. Het hoger beroep van [appellant] komt er in de kern op neer dat hij het niet eens is met de uitspraak van de rechtbank. Volgens [appellant] moet het voor hem mogelijk zijn om bij de bestuursrechter te procederen als hem niet tijdig een woning wordt aangeboden.
6. De Afdeling stelt voorop dat op grond van artikel 8:1 van de Awb alleen tegen een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb beroep kan worden ingesteld bij de bestuursrechter. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb moet het niet tijdig nemen van een besluit gelijk worden gesteld met een besluit. Tegen een feitelijke handeling van een bestuursorgaan staat geen beroep open, tenzij het een handeling betreft als bedoeld in artikel 72, derde lid, van de Vw 2000. De Afdeling zal hierna aan de hand van bovenstaande beoordelen of voor [appellant] beroep openstaat bij de bestuursrechter.
Is er sprake van een besluit als bedoeld in artikel 8:1 van de Awb?
7. Artikel 28 van de Huisvestingswet regelt de verplichting van gemeenten om zorg te dragen voor de huisvesting van vergunninghouders. Net als de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat individuele personen zoals vergunninghouders aan deze verplichting voor de gemeente geen rechten kunnen ontlenen. De afspraken die op bestuurlijk niveau zijn gemaakt over de periode waarbinnen gemeenten aan deze zorgplicht beogen te voldoen, is geen wettelijke termijn. Dit betekent dat er geen publiekrechtelijke grondslag is op grond waarvan het college gehouden is om binnen een zekere periode een besluit te nemen over de huisvesting van een aan de gemeente gekoppelde vergunninghouder. [appellant] kan niet onder verwijzing naar die afspraken aanspraak maken op het binnen een bepaalde periode aanbieden van een woning.
8. Anders dan [appellant] betoogt, kan deze publiekrechtelijke grondslag ook niet worden gevonden in artikel 32 van de Kwalificatierichtlijn (2011/95/EU). Op grond van dit artikel regelt de lidstaat dat vergunninghouders toegang tot huisvesting hebben onder vergelijkbare voorwaarden als andere onderdanen van derde landen die legaal op hun grondgebied verblijven. Hieruit volgt geenszins een recht op toewijzing van een woning binnen een bepaalde periode.
9. Omdat artikel 28 van de Huisvestingswet geen publiekrechtelijke grondslag bevat voor het nemen van een besluit, kan [appellant] niet op grond van artikel 8:1, gelezen in samenhang met 6:2, aanhef en onder b, van de Awb procederen bij de bestuursrechter.
10. Het betoog slaagt niet.
Is er sprake van een feitelijke handeling als bedoeld in artikel 72 van de Vw 2000?
11. Artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 luidt: "Voor de toepassing van deze afdeling wordt met een beschikking tevens gelijkgesteld een handeling van een bestuursorgaan ten aanzien van een vreemdeling als zodanig, waaronder begrepen het niet verlenen van de verblijfsvergunning overeenkomstig artikel 14, tweede lid."
12. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling (Kamerstukken II 1998/99, 26 732, nr. 3, blz. 71) volgt dat de wetgever heeft beoogd de rechtsbescherming van een vreemdeling in het kader van de Vw 2000 bij uitsluiting op te dragen aan de bestuursrechter. Hiermee heeft de wetgever willen voorkomen dat twee verschillende rechters, namelijk de bestuursrechter en de civiele rechter, oordelen over geschillen in het kader van de Vw 2000. Artikel 72 van de Vw 2000 heeft daarom als doel dat een vreemdeling niet alleen beroep kan instellen tegen hem als zodanig gegeven besluiten, maar ook tegen door een bestuursorgaan tegen hem als zodanig verrichte, rechtens relevante feitelijke handelingen. Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 29 maart 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1025). De reikwijdte van deze bepaling is blijkens de totstandkomingsgeschiedenis beperkt tot feitelijke handelingen verricht ter uitvoering van de Vw 2000. Tegen feitelijke handelingen van een bestuursorgaan ten aanzien van een vreemdeling als zodanig die verricht zijn ter uitvoering van een andere wet staat om die reden geen beroep open bij de bestuursrechter.
13. Gelet op bovenstaande volgt de Afdeling [appellant] niet in zijn betoog dat het nalaten van het college gelijk moet worden gesteld met een feitelijke handeling als bedoeld in artikel 72, derde lid, van de Vw 2000. Tegen een feitelijke handeling, dan wel het nalaten, op grond van de Huisvestingswet staat geen beroep open bij de bestuursrechter.
Conclusie
14. Gelet op bovenstaande kan [appellant] niet bij de bestuursrechter procederen. De rechtbank heeft zich daarom terecht onbevoegd verklaard om van zijn beroep kennis te nemen. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
15. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Rietveld, griffier.
w.g. De Moor-van Vugt
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Rietveld
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026
1064