COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 26 juli 2016 in de zaak tussen
Rendant Parknet Beheer B.V., te Maarn, appellante
Autoriteit Consument en Markt (ACM), verweerster
Uitspraak
zaaknummer: 15/828
18050
(gemachtigde: mr. R.W. de Vlam),
en
(gemachtigden: mr. R.B.J. de Haan en mr. E.B. Machiels).
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Ondernemersvereniging De Noord, te Alblasserdam
(gemachtigde: mr. S. Velthuizen).
Procesverloop
Bij een op 17 september 2015 in de Staatscourant gepubliceerd besluit (het bestreden besluit) heeft ACM afgewezen de aanvraag van appellante om ontheffing als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998 (E-wet) voor haar elektriciteitsnet dat ligt op het Industriepark Nieuwland in Alblasserdam en Papendrecht (het Industriepark).
Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
ACM heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 mei 2016. De zaak is op de zitting gevoegd behandeld met de zaak nummer 16/78. De zaken zijn daarna weer gesplitst. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, bijgestaan door [naam] . Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Derde-partij heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.
Overwegingen
1. Naar aanleiding van het besprokene op de zitting stelt het College vast dat het beroepschrift tijdig is ingediend. Het bestreden besluit is tot stand gekomen met toepassing van de uniforme voorbereidingsprocedure (afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, Awb). In verband hiermee vangt op grond van artikel 6:8, vierde lid, van de Awb de termijn voor het indienen van een beroepschrift aan met ingang van de dag na die waarop het besluit is gepubliceerd in de Staatscourant. De beroepstermijn is daarom niet aangevangen op de dag nadat ACM het bestreden besluit aan appellante heeft toegestuurd op 2 september 2015, maar de dag nadat het bestreden besluit is gepubliceerd in de Staatscourant, op 17 september 2015. Het door appellante bij brief van 26 oktober 2015 ingestelde beroep is door het College ontvangen op 27 oktober 2015, zodat het beroepschrift tijdig is ingediend.
2. Op basis van de namens derde-partij gegeven uiteenzetting in de brief van 21 april 2016 is het College van oordeel dat derde-partij naast het behartigen van de belangen van haar individuele leden ook het belang van het industriepark als geheel behartigt en dat daarmee haar belang rechtstreeks is betrokken bij het bestreden besluit, zodat zij wordt toegelaten om als derde-partij aan het geding deel te nemen.
3. Op het Industriepark ligt een elektriciteitsnet waarop appellante een eeuwigdurend recht van opstal heeft en daarmee juridisch eigenaar van dit net is. Op dit net zijn niet-huishoudelijke afnemers aangesloten. Rendant Exploitatie Business Parks B.V. (Exploitatie) koopt elektriciteit in op de aansluitingen van appellante op het openbare net en levert op basis van individuele leveringsovereenkomsten elektriciteit aan de afnemers. Appellante heeft op grond van artikel 15, eerste lid, van de E-wet verzocht om ontheffing van het gebod om een netbeheerder aan te wijzen.
4. Op grond van artikel 15, eerste lid, van de E-wet kan ACM aan een eigenaar van een gesloten distributiesysteem (GDS) ontheffing verlenen van het gebod om een netbeheerder aan te wijzen als (en voor zover hier relevant) de bedrijfs- of productieprocessen van de gebruikers van een GDS om specifieke technische of veiligheidsredenen geïntegreerd zijn (a-grond) of als het GDS primair elektriciteit transporteert voor de eigenaar van dat systeem of de daarmee verwante bedrijven (b-grond).
5. ACM heeft vastgesteld dat het elektriciteitsnet van appellante een GDS is, maar geen ontheffing verleend, omdat appellante niet voldoet aan de a- en b-grond.
6. Appellant voert aan dat zij hier wel aan voldoet.
7. Het College stelt vast dat appellante niet betwist dat zij op dit moment niet voldoet aan de a-grond. Verweerder heeft daarom terecht geen ontheffing verleend op basis van de a-grond. Dat appellante in de toekomst mogelijk wel aan de eisen van de a-grond gaat voldoen, zoals zij stelt, is geen reden om tot ontheffing over te gaan, aangezien voor de toepassing van artikel 15, eerste lid, van de E-wet de actuele situatie van belang is. Deze materiële toepassingsvoorwaarde sluit het verlenen van ontheffing op basis van een niet bestaande, toekomstige en onzekere situatie uit.
8. Het College stelt vast dat ook niet is voldaan aan de eisen van de b-grond, nu appellante en het aan haar verwante bedrijf Exploitatie zelf geen elektriciteit verbruiken. Anders dan appellante ziet het College in E-wet, de wetsgeschiedenis, de derde elektriciteitsrichtlijn (2009/72/EU) en de Interpretative note geen aanknopingspunten voor haar standpunt dat met louter het verhandelen van elektriciteit voldaan zou zijn aan de eisen van de b-grond. Dat het elektriciteitsnet is aangelegd voor de exploitatie ervan door appellante en Exploitatie en dat Exploitatie de elektriciteit inkoopt op de aansluitingen van appellante op het openbare net en op basis van individuele leveringsovereenkomsten elektriciteit levert aan de afnemers, zoals appellante stelt, betekent niet dat de elektriciteit primair voor haar of Exploitatie wordt getransporteerd.
9. Het beroep is ongegrond.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, mr. E.R. Eggeraat en mr. H.B. van Gijn, in aanwezigheid van mr. M.B. van Zantvoort, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 juli 2016.
w.g. R.C. Stam w.g. M.B. van Zantvoort