COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 april 2020 in de zaak tussen
[naam] , te [plaats] , gemeente [gemeente] , appellante,
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder.
uitspraak
zaaknummer: 18/1809
en
Procesverloop
Bij besluiten van 2, 6, 9 en 16 december 2017 en 27 januari 2018 (de primaire besluiten) heeft verweerder op grond van de Regeling Fosfaatreductieplan 2017 (de Regeling) aan appellante heffingen opgelegd van € 946,- voor periode 1, van € 994,- voor periode 2, van € 293,- voor periode 3, van €293,- voor periode 4 en van € 1.018,- voor periode 5.
Bij besluit van 19 juli 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna het College het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft gesloten.
Overwegingen
Artikel 12, tweede lid, van de Regeling
Het College is met verweerder van oordeel dat appellante geen beroep kan doen op de knelgevallenregeling in artikel 12, tweede lid, van de Regeling. Dit artikel maakt het verhogen van het referentieaantal mogelijk door het vervroegen van het peilmoment. Vervroeging van de peildatum leidt voor appellante echter niet tot een hoger, maar juist lager referentieaantal, omdat het bedrijf van appellante nog in opbouw was en de veebezetting nog niet op het beoogde peil. Zoals het College eerder heeft geoordeeld (uitspraak van 13 november 2018, ECLI:NL:CBB:2018:598), biedt artikel 12, tweede lid, van de Regeling verweerder niet de mogelijkheid om rekening te houden met beoogde, maar niet gerealiseerde groei van de veestapel. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 72 van het Uitvoeringsbesluit
De per 1 januari 2018 geldende fosfaatrechtenregeling kent in de artikelen 72 en 72a van het Uitvoeringsbesluit, op advies van de Commissie Kalden, twee aanvullende knelgevallen, namelijk nieuw gestarte bedrijven en een op de peildatum tijdelijk kleinere veestapel door de realisatie van een natuurgebied of de aanleg of onderhoud van publieke infrastructuur. Voor de toepassing van de Regeling erkent verweerder deze situaties eveneens als knelgevallen zonder dat de Regeling zelf hierop is aangepast.
Ingevolge artikel 72, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit verhoogt de minister het fosfaatrecht bedoeld in artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet op verzoek van een landbouwer met een nieuw gestart bedrijf. Ingevolge het tweede lid, is een nieuw gestart bedrijf een bedrijf dat aantoonbaar:“a. beschikt over een voor 2 juli 2015 aan de landbouwer verleende omgevingsvergunning voor het oprichten van een bedrijf voor het houden van melkvee of over een voor 2 juli 2015 door de landbouwer ingediende melding als bedoeld in artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit Milieubeheer voor het houden van melkvee;b. onomkeerbare financiële verplichtingen is aangegaan voor 2 juli 2015;c. tussen 1 januari 2014 en 2 juli 2015 is gestart met de productie van melk bestemd voor consumptie of verwerking;d. op 1 januari 2018 minimaal 15 melk- en kalfkoeien hield als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel kk, onder 1°, van de wet;e. geen aanspraak maakt op rechten uit hoofde van artikel 23, vierde lid, van de wet.”
Het College is van oordeel dat het bedrijf van appellante niet als een nieuw gestart bedrijf kan worden aangemerkt als bedoeld in artikel 72, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit, alleen al omdat zij op 1 januari 2018 niet minimaal 15 melk- en kalfkoeien hield. Dit blijkt uit een uitdraai van het Identificatie en Registratiesysteem (I&R-systeem) dat verweerder in beroep heeft overgelegd. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat appellante daarmee niet heeft voldaan aan de cumulatieve voorwaarden van artikel 72, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit.
In het bestreden besluit heeft verweerder gesteld dat het bedrijf van appellante geen nieuw gestart bedrijf is omdat al voor 1 januari 2014 melk werd geproduceerd op haar bedrijf. In het verweerschrift is hij niet ingegaan op de beroepsgrond die appellante hier tegenin heeft gebracht. Het College gaat er daarom van uit dat deze afwijzingsgrond ten onrechte is gehanteerd.In plaats hiervan heeft verweerder zich voor het eerst in verweer op het standpunt gesteld dat appellante op 1 januari 2018 niet minimaal 15 melk- en kalfkoeien hield. Omdat het bestreden besluit pas in verweer is voorzien van een toereikende motivering, is het in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb niet deugdelijk gemotiveerd. Het College ziet aanleiding dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, aangezien aannemelijk is dat appellante door dit gebrek niet is benadeeld. Ook als dit gebrek zich niet zou hebben voorgedaan, zou een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Individuele en disproportionele last
Bij beoordeling of een last in het individuele geval van de betrokken melkveehouder disproportioneel is, moeten alle betrokken belangen van het individuele geval worden afgewogen. Niet ieder vermogensverlies geldt als een disproportionele last en de beoordeling hangt af van alle individuele omstandigheden van het geval. De uiteindelijke bewijslast dat sprake is van een disproportionele last, rust op appellante. Daarvoor is inzicht nodig in al haar bedrijfsmatige gegevens en omstandigheden (vergelijk de uitspraak van het College van 21 augustus 2018, ECLI:NL:CBB:2018:417).
Het door appellante overgelegde overzicht van investeringen is onvoldoende om een disproportionele last aan te nemen. Appellante heeft geen inzicht gegeven in de financiële positie van haar bedrijf en heeft geen stukken overgelegd die haar stelling onderbouwen dat haar lidmaatschap bij Eko-Holland en daarmee de continuïteit van haar bedrijf in gevaar komt. Appellante heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat in haar geval sprake is van een individuele en disproportionele last. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Slotsom
5. Het beroep is ongegrond.
6. Gelet op het in 4.5. geconstateerde gebrek bestaat aanleiding te bepalen dat het door appellante betaalde griffierecht aan haar wordt vergoed. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.
Beslissing
Het College
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 170,- aan appellante dient te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Hagen, in aanwezigheid van mr. A. Koelewijn, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 april 2020.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.