ECLI:NL:CBB:2020:639

ECLI:NL:CBB:2020:639, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 15-09-2020, 17/1702 en 17/1738

Instantie College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak 15-09-2020
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 17/1702 en 17/1738
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats 's-Gravenhage
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 5 zaken
Aangehaald door 4 zaken
8 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0002252 BWBR0003245 BWBR0005537 BWBR0006358 BWBR0009641 BWBR0039205 CELEX:31991L0676 EU:31991L0676

Samenvatting

Regeling Fosfaatreductieplan 2017. Dierziekten. Geen individuele en buitensporige last.

Uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 september 2020 in de zaken tussen

melkveebedrijf [naam 1] , te [plaats] , gemeente [gemeente] , appellant

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

uitspraak

zaaknummers: 17/1702 en 17/1738

(gemachtigde: mr. A.J. Roos),

en

(gemachtigde: mr. S.J.E. Loontjens),

en

Procesverloop

Bij besluiten van 17 juni 2017 en 3 augustus 2017 (de primaire besluiten) heeft verweerder op grond van de Regeling Fosfaatreductieplan 2017 (de Regeling) aan appellant heffingen opgelegd van € 2.194,00 voor periode 1 en van € 2.242,00 voor periode 2.

Bij besluiten van 2 oktober 2017 en 11 oktober 2017 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 17 juni 2017 en 3 augustus 2017 ongegrond verklaard.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juli 2020. Namens appellant is verschenen [naam 2] , bijgestaan door de gemachtigde van appellant. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding

Het College overweegt dat pas sprake is van een individuele en buitensporige last als een veehouder wordt geconfronteerd met feiten en omstandigheden die niet voor alle veehouders gelden en die meebrengen dat hij in bijzondere mate wordt getroffen door de maatregel. Voor de conclusie dat een dergelijke situatie zich voordoet, zijn bijzondere omstandigheden noodzakelijk. Niet ieder vermogensverlies geldt als een buitensporige last, en de beoordeling hangt af van alle individuele omstandigheden van het geval.

Appellant was van plan zijn nieuwe stallen te vullen door een geleidelijke groei van zijn veestapel met eigen aanwas. Dat als gevolg van dierziekten op zijn bedrijf de geleidelijke groei er niet toe heeft geleid dat de stallen op de peildatum volledig waren gevuld, is naar het oordeel van het College geen bijzondere omstandigheid in voormelde zin. De keuze van appellant om zijn veestapel geleidelijk te laten groeien met eigen aanwas is een ondernemerskeuze die binnen zijn invloedsfeer ligt en waarvan de gevolgen in beginsel voor zijn rekening komen. Voorts staat vast dat er dierziekten zijn geweest op het bedrijf van appellant, maar bij de beoordeling in het kader van de knelgevallenregeling is gebleken dat de dierziekten er niet toe hebben geleid dat het aantal GVE op de peildatum minimaal 5% lager is dan in de situatie zonder dierziekten het geval zou zijn. Ook het feit dat op het bedrijf van appellant sprake is geweest van dierziekten behoort tot het bedrijfsrisico van appellant. Verder wil het College op basis van de door appellant overgelegde rapport van Alan Accountants en Adviseurs van 10 mei 2019 wel aannemen dat appellant financieel wordt geraakt door de tenuitvoerlegging van de Regeling, maar dit is onvoldoende om een buitensporige last aan te nemen. Uit de overgelegde stukken blijkt niet zonder meer en zonder nadere onderbouwing dat de continuïteit van zijn bedrijf in gevaar komt. Appellant heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat de toepassing van de Regeling in zijn geval leidt tot een individuele en buitensporige last. Het betoog faalt.

6. Appellant heeft verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Het gaat hier om een niet-punitieve procedure die volgt op een primair besluit dat is bekend gemaakt na 1 februari 2014. In dat geval geldt als uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. Dit behoudens factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten. Uitgangspunt voor compensatie is een tarief van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.

Verweerder heeft de bezwaarschriften voor periodes 1 en 2 ontvangen op 1 juni 2017 en 25 augustus 2017. Op het moment van het doen van deze uitspraak is de tweejaartermijn met ruim 15 maanden overschreden. Van factoren die aanleiding kunnen geven overschrijding van de behandelingsduur gerechtvaardigd te achten is geen sprake. Appellant heeft daarom recht op een vergoeding van € 1.500,00 aan immateriële schade.

Verweerder heeft op 2 oktober 2017 en 11 oktober 2017 beslist op de bezwaren en daarmee heeft de behandeling van de bezwaren minder dan een half jaar in beslag genomen. De overschrijding van de behandelingsduur wordt daarom volledig toegerekend aan het College. Het College zal daarom op grond van artikel 8:88 van de Awb de Staat (minister van Justitie en Veiligheid) veroordelen tot betaling van een bedrag van € 1.500,00 aan appellant.Slotsom

7. De beroepen zijn ongegrond.

8. Appellant heeft recht op een vergoeding van € 1.500,00 aan immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Gelet hierop bestaat ook aanleiding de Staat der Nederlanden te veroordelen in de door appellant voor het verzoek gemaakte proceskosten ter hoogte van € 262,50.

Beslissing

Het College

- verklaart de beroepen ongegrond;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) om aan appellant een vergoeding voor immateriële schade van € 1.500,00 te betalen;

-veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellant in beroep tot een bedrag van € 262,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Borman, in aanwezigheid van mr. A.J. Jansen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 september 2020.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. C

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?