COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 2 augustus 2022 in de zaak tussen
[naam 1] B.V., te [woonplaats] , appellante
de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder
uitspraak
zaaknummers: 22/464 en 22/502
(gemachtigde: mr. M.I. Bal),
en
(gemachtigden: mr. C. Bergacker en mr. M.J.H. van der Burgt).
Procesverloop
Bij besluit van 24 augustus 2021 (het primaire besluit 1) heeft verweerder de aanvraag van appellante voor een subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het tweede kwartaal (Q2) van 2021 afgewezen.
Bij besluit van 29 november 2021 (het primaire besluit 2) heeft verweerder de aanvraag van appellante voor een subsidie op grond van de TVL voor het derde kwartaal (Q3) van 2021 afgewezen.
Bij twee afzonderlijke besluiten van 28 januari 2022 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de bezwaren van appellante ongegrond verklaard.
Appellante heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. Het beroep over Q2 2021 is geregistreerd onder zaaknummer 22/464 en het beroep over Q3 2021 onder zaaknummer 22/502.
De beroepen zijn behandeld op de zitting van 31 mei 2021. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Namens appellante waren ook aanwezig [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] .
Overwegingen
Uit artikel 2.3.3, vijfde lid, (voor Q2 2021) en artikel 2.4.3, vijfde lid, (voor Q3 2021) van de TVL volgt dat ondernemingen die aangifte omzetbelasting doen, hun omzet moeten aantonen met die aangifte, die is gedaan overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens de Wet op de omzetbelasting 1968. De regelgever heeft daar bewust voor gekozen in verband met de uitvoerbaarheid van de TVL en de beperking van de administratieve lasten. Omzet die niet in een aangifte omzetbelasting gerapporteerd wordt, dient op eenvoudige en duidelijke wijze te blijken uit de financiële administratie of andere bewijsstukken van de onderneming. Het College heeft in de uitspraak van 11 januari 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:5) geoordeeld dat dit geen onredelijk uitgangspunt is.
In deze zaak heeft appellante bij de aanvraag opgegeven dat zij in de referentieperiode een omzet van € 437.129,- had. Uit de gegevens die verweerder bij de Belastingdienst heeft opgevraagd, blijkt dat appellante inderdaad dit bedrag heeft opgegeven bij haar aangifte omzetbelasting. Daar bestaat dus geen verschil van mening over tussen partijen. Volgens het hiervoor weergegeven uitgangspunt, had verweerder van deze gegevens uit moeten gaan bij het beoordelen van de aanvragen. Verweerder heeft dat echter niet gedaan, maar heeft nader onderzoek gedaan naar de opgegeven omzet. De vraag die het College allereerst moet beantwoorden, is of verweerder in dit geval wel mocht afwijken van de aangifte omzetbelasting.
Het College is van oordeel dat dat niet het geval is. De regelgever heeft er bewust voor gekozen om voor het bepalen van de omzet aan te sluiten bij de aangifte omzetbelasting. Het is primair de taak van de minister van Financiën (de Belastingdienst) om te controleren of de aangifte overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens de Wet op de omzetbelasting 1968 is gedaan. Verweerder heeft voorts ter zitting aangegeven dat het oordeel van de Belastingdienst over de juistheid van een aangifte omzetbelasting voor hem leidend is. Dit heeft tot gevolg dat, zolang de Belastingdienst niet tot correctie overgaat, verweerder uit zal moeten gaan van de aangifte omzetbelasting. Om die reden gaat in dit geval de verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State niet op en dwingt artikel 3:2 van de Awb verweerder ook niet tot het zelf onderzoek doen naar de juistheid van de aangifte omzetbelasting. Het College begrijpt wel dat in sommige gevallen bij verweerder twijfels kunnen ontstaan over de juistheid van een aangifte, maar verweerder dient zich, gelet op het voorgaande, in die gevallen te beperken tot het doen van navraag bij de Belastingdienst.
Dat verweerder het niet aannemelijk vindt dat appellante de omzet die zij voor Q3 2020 heeft opgegeven ook daadwerkelijk heeft gerealiseerd, is dus onvoldoende reden om de aanvragen af te wijzen. Het had op de weg van verweerder gelegen om navraag te doen bij de Belastingdienst. Dat de Belastingdienst een onderzoek is gestart, betekent nog niet dat vaststaat dat de aangifte omzetbelasting onjuist is. Dit is dan ook onvoldoende reden om de aanvragen af te wijzen. Pas als de Belastingdienst concludeert dat de aangifte onjuist is en overgaat tot een aanpassing van die aangifte, kan verweerder besluiten de subsidieverlening daarop aan te passen. Het voorgaande betekent dat de bestreden besluiten niet in stand kunnen blijven.
5. De beroepen zijn gegrond. Het College vernietigt de bestreden besluiten en draagt verweerder op nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Het College stelt hiervoor een termijn van zes weken.
6. Het College veroordeelt verweerder in de door appellante gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in samenhangende zaken vast op € 1.518,- (1 punt voor het indienen van de beroepschriften, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 759,- en een wegingsfactor 1). Tevens dient verweerder het betaalde griffierecht te vergoeden.
Beslissing
Het College:
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.518,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, mr. J.H. de Wildt en mr. M. van Duuren, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 augustus 2022.
w.g. R.W.L. Koopmans w.g. A.A. Dijk