COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 september 2022 in de zaak tussen
[naam 1] , h.o.d.n. [naam 2] , te [woonplaats] , appellant,
de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder
uitspraak
zaaknummer: 21/1205
en
(gemachtigde: mr. drs. P.J. Kooiman).
Procesverloop
Bij besluit van 30 april 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van appellant voor een subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het eerste kwartaal (Q1) van 2021 afgewezen.
Bij besluit van 26 oktober 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juli 2022. Appellant is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Standpunt verweerder
4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de omzet van appellant dient te blijken uit de aangifte omzetbelasting. Appellant heeft gesteld dat hij zowel voor Q1 2019 als voor Q1 2021 een suppletieaangifte heeft ingediend, maar bij de Belastingdienst is alleen een suppletieaangifte over heel 2019 bekend. Verweerder heeft appellant gevraagd om te onderbouwen welk deel van de daarin opgegeven jaaromzet (€ 69.858,00) toe te rekenen is aan het eerste kwartaal. Appellant heeft toen grootboekkaarten overgelegd en een overzicht van de oorspronkelijk opgegeven omzet en de daadwerkelijke omzet. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de grootboekkaarten onvoldoende inzicht geven in de verdeling van de omzet, omdat het totaal van de grootboekkaarten uitkomt op een lager bedrag (€ 64.576,99) dan het bedrag dat in de suppletieaangifte is opgegeven. Uit het aangeleverde overzicht komt weer een ander bedrag naar voren (€ 74.407,00). Tevens blijkt dat het totaal van de bij de verschillende TVL-aanvragen opgegeven omzet hoger is dan de totale jaaromzet die blijkt uit de suppletieaangifte en dat appellant bij zijn aanvraag voor de TVL1 een andere omzet voor Q3 2019 heeft opgegeven dan bij zijn aanvraag voor Q3 2021. Verweerder komt appellant het meest tegemoet door uit te gaan van de oorspronkelijk opgegeven omzet zoals blijkt uit de oorspronkelijke aangifte omzetbelasting. Gelet op die gegevens is geen sprake van een omzetverlies van 30%. Beoordeling door het College
5. Uit artikel 2.2.2, vijfde lid, van de TVL volgt dat ondernemingen die aangifte omzetbelasting doen, hun omzet moeten aantonen met die aangifte, die is gedaan overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens de Wet op de omzetbelasting 1968. De regelgever heeft daar bewust voor gekozen in verband met de uitvoerbaarheid van de TVL en de beperking van de administratieve lasten. Appellant betwist niet dat hij aangifte omzetbelasting doet over het gehele bedrag waarover zijn omzetverlies wordt berekend. Dat betekent dat verweerder in dit geval uit dient te gaan van de omzet die blijkt uit de gegevens van de Belastingdienst (vergelijk de uitspraken van het College van 11 januari 2022, ECLI:NL:CBB:2022:5, en van 2 augustus 2022, ECLI:NL:CBB:2022:491).
6. Partijen zijn het niet eens over de hoogte van de omzet in de referentieperiode (Q1 2019). Appellant stelt dat hij een suppletieaangifte heeft ingediend over deze periode. In het dossier bevindt zich echter alleen de suppletieaangifte die is opgesteld door de adviseur van appellant, maar geen ontvangstbevestiging van de Belastingdienst. Uit de gegevens van de Belastingdienst die verweerder heeft ontvangen, blijkt dat er alleen een suppletieaangifte over heel 2019 is ingediend. Verweerder is daarom terecht voorbijgegaan aan de suppletieaangifte over Q1 2019.
7. Uit artikel 2.2.5, tweede lid, aanhef en onder c, van de TVL volgt dat als de ondernemer aangifte doet per kalenderjaar, het aan de ondernemer is om met bewijsstukken te onderbouwen over welk bedrag hij in de referentieperiode omzetbelasting heeft betaald. Omdat de suppletieaangifte is ingediend over heel 2019, heeft verweerder aan appellant gevraagd aan te geven en te onderbouwen welk deel van de omzet bij het eerste kwartaal hoort. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de overgelegde stukken onvoldoende inzicht geven in de verdeling van de omzet over het jaar. Het College is het met verweerder eens. Het College heeft geconstateerd dat de bedragen van de bankafschriften en de grootboekkaarten niet overeen komen. In combinatie met de inconsistenties die verweerder al heeft benoemd in het verweerschrift, leidt dat tot de conclusie dat verweerder voorbij mocht gaan aan de suppletieaangifte over 2019, omdat appellant niet inzichtelijk heeft gemaakt welk deel van de omzet is toe te rekenen aan het eerste kwartaal van dat jaar, na daartoe ruimschoots in de gelegenheid te zijn gesteld.
8. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder terecht is uitgegaan van de omzetgegevens die blijken uit de oorspronkelijke aangifte omzetbelasting Q1 2019. Niet in geschil is dat deze gegevens leiden tot de conclusie dat niet is voldaan aan het vereiste van 30% omzetverlies. Dat betekent dat verweerder de aanvraag terecht heeft afgewezen en dat het beroep ongegrond is. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Duuren, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 september 2022.
w.g. M. van Duuren w.g. A.A. Dijk
BIJLAGE
Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL)
“Paragraaf 2.2. Subsidie vaste lasten voor de periode januari, februari en maart 2021
Paragraaf 2.2.1. Subsidie vaste lasten voor MKB-ondernemingen
(…)
Artikel 2.2.1. (verstrekking subsidie)
1. De minister verstrekt op aanvraag eenmalig een subsidie aan een getroffen MKB-onderneming om bij te dragen aan de financiering van de vaste lasten in de maanden januari, februari en maart 2021.
2. De subsidie wordt enkel verstrekt aan een MKB-onderneming:
a. waarvan het omzetverlies ten minste 30% bedraagt;
(…)
Artikel 2.2.2. (bepaling omzetverlies)
(…)
5. Indien de getroffen MKB-onderneming omzetbelasting betaalt over het geheel van de bedragen op basis waarvan haar omzetverlies wordt berekend, wordt als de omzet van de onderneming beschouwd het bedrag ten aanzien waarvan zij aangifte doet voor de omzetbelasting, overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens de Wet op de omzetbelasting 1968.
6. Voor andere getroffen MKB-ondernemingen dan de ondernemingen, bedoeld in het vijfde lid, is de omzet het bedrag van de omzet zoals dat op eenvoudige en duidelijke wijze blijkt uit de financiële administratie van de onderneming of uit een ander bewijsstuk.
(…)
Artikel 2.2.5. (informatieverplichtingen bij aanvraag)
(…)
2. Een aanvraag omvat in ieder geval:
(…)
een opgave van de omzet in de referentieperiode, blijkend uit:
(…)
3° indien de getroffen MKB-onderneming omzetbelasting afdraagt over de gehele omzet in de referentieperiode en daarvan aangifte doet per kalenderjaar: een kopie van de aangiftes voor de kalenderjaren waarin de referentieperiode valt, indien die aangiftes enkel betrekking hebben op de getroffen MKB-onderneming en voldoet aan het bepaalde bij en krachtens de Wet op de omzetbelasting 1968, en een kopie van een bewijsstuk waaruit het bedrag duidelijk blijkt waarover zij in de referentieperiode omzetbelasting heeft betaald; (…).”