COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
CEBA Trading B.V., te Duiven, verzoekster
de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder
uitspraak
zaaknummer: 22/2527
uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 februari 2023 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
(gemachtigde: mr. M.I. Bal),
en
(gemachtigden: mr. H.G.M. Wammes en mr. M.J.H. van der Burgt).
Procesverloop
Met het besluit van 24 maart 2022 (het primaire besluit) heeft verweerder het door verzoekster ingediende verzoek om herziening van zijn besluit van 15 december 2021 over de aanvraag voor een subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het vierde kwartaal van 2020 afgewezen.
Met het besluit van 28 oktober 2022 (het besluit op bezwaar) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2023. Verzoekster is daarbij vertegenwoordigd door [naam 1] en [naam 2] , bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Overwegingen
Spoedeisend belang
Voor het treffen van een voorlopige voorziening zou niettemin aanleiding kunnen zijn indien, ook zonder diepgaand onderzoek, zeer ernstig moet worden betwijfeld dat het besluit op bezwaar in de bodemprocedure in stand zal blijven. Hierna zal worden beoordeeld of daarvan sprake is.
Rechtmatigheid van het besluit op bezwaar
Bij besluit van 9 februari 2021 heeft verweerder een subsidie van € 33.302,28 aan verzoekster verleend op grond van de TVL voor Q4 2020 en aan haar een voorschot van
€ 26.641,83 uitbetaald. Op 18 mei 2021 heeft verzoekster een verzoek om vaststelling van de subsidie ingediend. Verweerder heeft de subsidie vervolgens ingetrokken en het betaalde voorschot teruggevorderd, omdat de door verzoekster in de aanvraag opgegeven omzet (€ 605.796,-) niet klopt met de gegevens van de Belastingdienst. Uit deze gegevens blijkt dat verzoekster in de referentieperiode een omzet had van € 0,-. Dit betekent dat verzoekster niet langer voldoet aan de voorwaarde dat het omzetverlies tenminste 30% is. Met het besluit van 15 december 2021 heeft verweerder de daartegen gemaakte bezwaren van verzoekster ongegrond verklaard.
Op 20 december 2021 heeft verzoekster bij verweerder een verzoek om herziening van het besluit van 15 december 2021 ingediend. Verzoekster heeft daarbij aangegeven dat zij een suppletie op de aangifte omzetbelasting heeft gediend, namelijk op 16 juli 2021. Verzoekster heeft in deze suppletieaangifte een (gecorrigeerde) omzet van € 605.796,- opgegeven. Uit het feit dat deze suppletieaangifte (nog steeds) niet zichtbaar is in de gegevens van de Belastingdienst, leidt verweerder af dat deze aangifte nog niet door de Belastingdienst is geaccepteerd. Een verklaring is hiervoor gelegen in een boekenonderzoek dat de Belastingdienst is gestart bij verzoekster. Om die reden heeft verweerder om nadere stukken gevraagd om de jaarsuppletie over het gehele jaar 2019 nader te onderbouwen. De door verzoekster overgelegde stukken (grootboekkaarten van 2019, kolommenbalans 2019 en facturen) zijn volgens verweerder niet voldoende om de referentieomzet in het vierde kwartaal van 2019 te onderbouwen. Daarnaast volgt uit de suppletieaangifte dat verzoekster een bedrag van € 122.897,- aan omzetbelasting moet betalen. Doordat verzoekster een naheffingsaanslag noch een bewijs van betaling heeft overgelegd, kan verweerder niet uitgaan van de door verzoekster gestelde omzet in de referentieperiode (en moet worden vastgehouden aan de omzet zoals deze bekend is bij de Belastingdienst). Derhalve is het herzieningsverzoek door verweerder afgewezen.
Voor ondernemingen geldt dat het uitgangspunt is dat het omzetverlies op grond van artikel 2.1.2, vijfde lid, van de TVL wordt berekend aan de hand van de aangifte omzetbelasting. Voor de beoordeling van de rechtmatigheid van het besluit op bezwaar is van doorslaggevend belang of de suppletieaanvraag door de Belastingdienst is geaccepteerd. Op dit moment staat dat nog niet vast en staat de omzet van verzoekster in de referentieperiode nog op nihil geregistreerd. Deze spoedprocedure leent zich niet voor een verdere beoordeling hiervan. Op grond van het geheel van beschikbare gegevens moet het er vooralsnog voor worden gehouden dat het thans door verweerder ingenomen standpunt juist is en kan niet worden gezegd dat zeer ernstig moet worden betwijfeld of het bestreden besluit in de bodemprocedure in stand zal blijven.
5. Omdat de voorzieningenrechter geen aanleiding ziet om gebruik te maken van haar bevoegdheid als bedoeld in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, zal het beroep op een afzonderlijke zitting worden behandeld. Het verdient daarbij de voorkeur dat verweerder contact met de Belastingdienst zal opnemen, zodat bij de behandeling van het beroep meer duidelijkheid is over de status van de suppletieaangifte.
Conclusie 6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Pavićević,, in aanwezigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2023.
w.g. Pavićević w.g. Van Roosmalen
Afschrift verzonden aan partijen op: