COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 maart 2026 op het hoger beroep van:
[naam] BV, te [vestigingsplaats] ( België ) (intermediair)
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
uitspraak
zaaknummer: 24/590
(gemachtigde: mr. A.C.M. Brom)
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 mei 2024, kenmerk 23/6061, in het geding tussen
de intermediair
en
(gemachtigden: mr. A.R. Alladin en mr. H.J. Kram)
Procesverloop in hoger beroep
De intermediair heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (rechtbank) van 21 mei 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:8528) (aangevallen uitspraak).
De minister heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend.
De zitting was op 16 januari 2026. Aan de zitting hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen.
Grondslag van het geschil
De intermediair is een Belgische onderneming die mest vervoert van Nederland naar het buitenland.
De minister heeft op 28 juni 2019 aan de intermediair een boete van € 300,- opgelegd (boetebesluit). De intermediair heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt. Op 4 februari 2023 heeft de intermediair de minister verzocht het boetebesluit te herzien. Op 26 mei 2023 heeft de intermediair de minister per e-mail een ingebrekestelling gestuurd. De intermediair heeft deze ingebrekestelling ook per post verstuurd. De minister heeft de ingebrekestelling ontvangen op 1 juni 2023. Op 23 juni 2023 heeft de minister op het verzoek om herziening beslist. De minister heeft dit besluit op 26 juni 2023 per e-mail naar de gemachtigde van de intermediair gestuurd.
Met een ander besluit van 23 juni 2023 heeft de minister de hoogte van de dwangsom vastgesteld op € 230,-. De minister is hierbij uitgegaan van 26 mei 2023 als datum van ingebrekestelling. De termijn van twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling is verstreken op 9 juni 2023. De minister heeft vastgesteld dat hij dan op grond van artikel 4:17, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vanaf 12 juni 2023 een dwangsom aan de intermediair heeft verbeurd. Deze dwangsom is volgens de minister verschuldigd over de periode vanaf 12 juni 2023 tot en met 23 juni 2023, de dag waarop hij op het herzieningsverzoek heeft beslist, waarna hij deze beslissing aan de intermediair heeft doen toekomen.
Met de beslissing op bezwaar van 5 september 2023 heeft de minister het bezwaar van de intermediair gedeeltelijk gegrond verklaard en de hoogte van de dwangsom vastgesteld op € 253,-. De minister is voor de berekening van de hoogte van de dwangsom uitgegaan van 1 juni 2023 als ontvangstdatum van de ingebrekestelling, omdat een ingebrekestelling verzonden per e-mail niet in behandeling wordt genomen. Een ingebrekestelling kan alleen schriftelijk of via een digitaal formulier worden ingediend. De termijn van twee weken eindigde op 15 juni 2023. De dwangsom is verschuldigd vanaf 16 juni 2023 tot en met de dag waarop het besluit bekend is gemaakt. Omdat het besluit op 26 juni 2023 naar de gemachtigde van de intermediair is gestuurd, wordt de dwangsom berekend over de periode van 16 juni tot en met 26 juni 2023, zijnde elf dagen. Over de eerste veertien dagen is op grond van artikel 4:17, tweede lid, van de Awb een dwangsom van € 23,- per dag verschuldigd. De hoogte van de dwangsom is daarom vastgesteld op (11 x € 23,- =) € 253,-.
Uitspraak van de rechtbank
De rechtbank heeft het beroep van de intermediair tegen de beslissing op bezwaar van 5 september 2023 (het in beroep bestreden besluit) ongegrond verklaard. De rechtbank stelt vast dat op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) duidelijk staat dat ingebrekestellingen alleen per post of via het digitale formulier kunnen worden ingediend en dat deze per e-mail niet in behandeling worden genomen. Als de intermediair de ingebrekestelling op elektronische wijze had willen indienen, had het dus op haar weg gelegen om het digitale formulier op de website van de RVO in te vullen. Dat haar gemachtigde moeilijkheden ondervond om dit formulier in te vullen, maakt dit niet anders. In een dergelijke situatie ligt het voor de hand dat de gemachtigde contact met de minister opneemt. De minister had de gemachtigde dan kunnen helpen met het invullen van het digitale formulier. Het is de rechtbank niet gebleken dat de gemachtigde hiertoe enige actie heeft ondernomen. Dit kan dan ook niet in de risicosfeer van de minister worden geplaatst. Het betoog van de intermediair dat het invullen van het digitale formulier niet wenselijk zou zijn, heeft de minister gelet op het subjectieve karakter hiervan niet bij zijn oordeel hoeven betrekken.
De rechtbank volgt de intermediair ook niet in haar stelling dat de minister haar een herstelmogelijkheid had moeten bieden in het geval de ingebrekestelling per e-mail niet in behandeling zou worden genomen. In de e-mail met de ingebrekestelling van 26 mei 2023 wordt namelijk aangekondigd dat de ingebrekestelling ook per post zal worden verstuurd. De minister mocht dan ook ervan uitgaan binnen afzienbare tijd over een geldige ingebrekestelling van de intermediair te beschikken.
De rechtbank oordeelt verder dat het beroep van de intermediair op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. Op de zitting heeft de minister toegelicht dat de intermediair in het verleden altijd zowel per post als per e-mail ingebrekestellingen heeft gestuurd, maar dat in al deze gevallen al het maximale bedrag van de dwangsom was bereikt. Het was voor de berekening van de dwangsom dan ook niet relevant van welke aanvangsdatum werd uitgegaan. De stelling van de intermediair dat de minister in het verleden ingebrekestellingen wél per e-mail heeft aanvaard, wordt dan ook niet gevolgd. Uit de door de intermediair aangehaalde e-mail van 24 oktober 2019 kan ook niet worden afgeleid dat ingebrekestellingen per e-mail kunnen worden gestuurd. Nog afgezien van het feit dat de afdeling Juridische Zaken van de RVO pas in beeld komt in de bezwaarfase en de procedure van de intermediair zich nog bevond in de primaire fase, wordt in deze e-mail ook niets gezegd over het versturen van ingebrekestellingen. Daarbij mocht de intermediair geen gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen aan het feit dat de minister in het primaire besluit nog uitging van 26 mei 2023 als aanvangsdatum voor de berekening van de dwangsom. In de bezwaarprocedure vindt namelijk een volledige heroverweging plaats waarbij de feiten opnieuw kunnen worden vastgesteld. Een eerder gemaakte fout hoeft dan niet te worden herhaald. Daarbij is er geen sprake van reformatio in peius, nu in het bestreden besluit uiteindelijk een hogere dwangsom is vastgesteld.
Standpunten van partijen in hoger beroep
De intermediair stelt zich op het standpunt dat 26 mei 2023 de ontvangstdatum van de ingebrekestelling is. De verschuldigde dwangsom is daardoor € 427,- in plaats van € 253,-. Volgens de intermediair heeft de minister wel de elektronische weg voor ingebrekestellingen per e-mail opengesteld. Als de minister de ingebrekestelling per e-mail niet zou accepteren, had een herstelmogelijkheid geboden moeten worden. Verder heeft de minister in het verleden ingebrekestellingen per e-mail van de intermediair wel geaccepteerd.
De minister heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Voor zover nodig zullen zijn standpunten hierna bij de beoordeling worden betrokken.
Beoordeling van het geschil in hoger beroep
Het College stelt vast dat wat de intermediair in hoger beroep heeft aangevoerd, in essentie een herhaling is van de gronden die de intermediair in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op deze beroepsgronden ingegaan. De intermediair heeft geen redenen aangevoerd waarom deze overwegingen van de rechtbank onjuist of onvolledig zouden zijn. Het College kan zich vinden in het oordeel en de overwegingen van de rechtbank, zoals weergegeven onder 2.1 tot en met 2.3, en neemt deze over. Het College voegt daaraan naar aanleiding van het verhandelde op de zitting nog het volgende toe.
De minister heeft de elektronische weg per e-mail niet opengesteld voor het indienen van ingebrekestellingen. Dat berichtgeving van de gemachtigde van de intermediair verstuurd per e-mail in andere zaken wel is geaccepteerd, maakt dat niet anders. Ook de omstandigheid dat de gemachtigde van de intermediair geen gebruik kan maken van het opengestelde digitale formulier op de website, maakt niet dat de elektronische weg per e-mail voor hem is opengesteld. Nu de gemachtigde van de intermediair in zijn ingebrekestelling had aangekondigd dat deze ook per post zou worden verstuurd, bestond voor de minister geen aanleiding om een weigering hiervan als bedoeld in (nu) artikel 2:15, derde lid, van de Awb aan de gemachtigde van de intermediair mede te delen.
Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat de minister bij de berekening van de dwangsom terecht is uitgegaan van de periode van 15 (het College begrijpt:) 16 juni 2023 tot en met 26 juni 2023 en dat de minister de dwangsom van € 253,- dan ook op goede gronden heeft vastgesteld.
Slotsom
Het hoger beroep slaagt niet. Het College zal de aangevallen uitspraak bevestigen.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
Het College bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.L. van der Beek, in aanwezigheid van mr. M.L. Bosman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026.
w.g. H.L. van der Beek w.g. M.L. Bosman