ECLI:NL:CRVB:2001:AJ9794

ECLI:NL:CRVB:2001:AJ9794, Centrale Raad van Beroep, 17-04-2001, 99/1681 NABW

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 17-04-2001
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 99/1681 NABW
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 4 zaken
5 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827 BWBR0005537 BWBR0007333 BWBR0011708 BWBR0015703

Samenvatting

Verrekening inkomsten uit arbeid; fictief inkomen; feitelijke werkzaamheden; minimumloon; bijstandsbehoevende omstandigheden.

Uitspraak

99/1681 NABW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Als gemachtigde van appellante heeft mr. R. van Asperen, advocaat te Groningen, op de bij een aanvullend beroepschrift uiteengezette gronden hoger beroep ingesteld tegen een op 4 maart 1999 door de Arrondissementsrechtbank te Groningen tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift, met bijlagen, ingediend en desverzocht nog een afschrift van de Toeslagenverordening 1996 aan de Raad doen toekomen.

Het geding is behandeld ter zitting van 6 maart 2001, waar partijen - zoals vooraf

bericht - niet zijn verschenen.

II. MOTIVERING

Op 25 februari 1997 heeft appellante zich tot gedaagde gewend om een bijstandsuitkering aan te vragen. Blijkens het bij de aanvraag behorende inlichtingenformulier en het intakegesprek woonde zij toen aan het [adres] te [woonplaats] in een kamer boven de [naam bar], in welke bar zij gemiddeld 25 uur per week tegen een loon van f 250,-- netto per maand als oproepkracht werkzaam was voor [werkgever].

Bij besluit van 27 juni 1997 heeft gedaagde de aanvraag van appellante afgewezen.

Gedaagde heeft het namens appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar bij het thans bestreden besluit van 25 november 1997 ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd op de grond dat appellante niet verkeert of dreigt te geraken in zodanige omstandigheden dat zij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien als bedoeld in artikel 7 van de Algemene bijstandswet (Abw).

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellante onder meer bestreden dat appellante ten tijde als hier van belang 25 uur per week werkzaam is geweest.

De Raad overweegt als volgt.

Zoals de Raad eerder, onder meer op 17 oktober 2000 in het geding onder nummer 98/5953 NABW, heeft uitgesproken moet ook onder de vigeur van de Abw bij de vaststelling van de hoogte van inkomsten uit arbeid in beginsel worden uitgegaan van de feitelijk verrichte werkzaamheden en de inkomsten die daaruit daadwerkelijk worden verworven dan wel kunnen worden verworven. Voor het in aanmerking nemen van een fictief inkomen zou ruimte kunnen zijn indien vaststaat dat de betrokkene aanspraak kan doen gelden op een bepaalde honorering, bijvoorbeeld ingevolge een geldende collectieve arbeidsovereenkomst of op basis van de Wet op het minimumloon- en vakantiebijslag, en hij die ten onrechte niet ontvangt, als de hoogte van de ontvangen inkomsten niet kan worden vastgesteld, of als tegenover het verrichten van arbeid geen dan wel zo’n lage beloning staat dat van een reële betaling voor die arbeid geen sprake is.

Wat de feitelijke omvang van de werkzaamheden van appellante betreft, stelt de Raad op grond van de bij de aanvraag en het intake-gesprek verstrekte gegevens eerst vast dat appellante ten tijde hier van belang gemiddeld 25 uur per week als werkneemster in de horeca-sector werkzaam was. Aan de Raad is niet genoegzaam kunnen blijken dat dit uitgangspunt van gedaagde en de rechtbank onjuist was. Hiervan uitgaande en van het door appellante opgegeven bedrag dat zij voor haar arbeid ontving, moet worden gezegd dat van een reële betaling voor haar arbeid geen sprake was. In het geval van appellante waren immers de bepalingen van de Wet op het minimumloon- en vakantiebijslag voor personen van 23 jaar en ouder van toepassing. Reeds op basis daarvan had appellante naar het oordeel van de Raad een loon kunnen bedingen dat meer zou hebben bedragen dan het voor haar als alleenstaande kamerbewoner geldende normbedrag.

Het voorgaande leidt de Raad tot de conclusie dat gedaagde terecht heeft aangenomen dat appellante ten tijde hier van belang niet verkeerde in omstandigheden als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Abw.

De Raad die, ten slotte, geen termen aanwezig acht om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. R.M. van Male en

mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van B.M. Biever-

van Leeuwen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 april 2001.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.

JdB

0904

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl JABW 2001, 114
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?