BESLISSING
IJ
17/6318 PW-PV en 17/6319 PW-PV
Datum uitspraak: 30 april 2019
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 4 augustus 2017, 16/4723 en 16/7488 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]
het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (college)
Zitting hebben: M. Hillen, F. Hoogendijk en E.C.G. Okhuizen
Griffier: J. Tuit
Appellanten zijn, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C.M. Smulders.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1. Het gaat hier uitsluitend nog om de herziening en terugvordering van de bijstand over de periode van 1 oktober 2014 tot en met 31 december 2015.
2. Voor zover hier nog van belang heeft het college terecht de bijstand over deze periode herzien en de over die periode teveel betaalde bijstand tot een bedrag van € 2.029,86 (bruto) teruggevorderd.
3. Appellanten hebben niet gemeld dat appellant in genoemde periode inkomsten uit zijn onderneming [naam onderneming] heeft ontvangen tot een bedrag van € 1.620,- (netto). Dat hadden zij wel uit eigen beweging moeten doen omdat inkomsten van belang kunnen zijn voor de beoordeling van het recht op bijstand.
4. De beroepsgrond dat appellanten hebben voldaan aan hun inlichtingenverplichting omdat zij de bankafschriften waarop hun inkomsten zijn vermeld bij het college hebben ingeleverd, slaagt niet. De grondslag voor de herziening is niet dat appellanten niet alle gevraagde gegevens hebben overgelegd, maar dat zij niet direct melding hebben gemaakt van de door appellant ontvangen inkomsten uit zijn onderneming.
5. De beroepsgrond dat appellanten de inlichtingenverplichting niet hebben geschonden omdat na aftrek van de kosten sprake was van een negatief bedrijfsresultaat en dus niet (meer) van inkomsten die moesten worden gemeld, slaagt ook niet. Volgens vaste rechtspraak wordt bij de vaststelling van de inkomsten die op de uitkering in mindering worden gebracht, geen rekening gehouden met de voor de ontvangen inkomsten gemaakte verwervingskosten. Geen aanleiding bestaat om in dit geval van deze rechtspraak af te wijken. De vergelijking die appellanten hier maken met het fiscale regime gaat niet op, alleen al niet omdat de Participatiewet een ander inkomensbegrip hanteert dan de Belastingdienst.
6. Dat de herzienings- en terugvorderingsbedragen niet juist zijn berekend omdat de door appellant ontvangen BTW niet in mindering is gebracht op de inkomsten, slaagt evenmin. Niet is gebleken dat appellant daadwerkelijk BTW heeft afgedragen. Sterker nog, ter zitting bij de rechtbank heeft appellant verklaard dat hij geen BTW heeft voldaan. Daarom bestaat geen aanleiding om de ontvangen BTW bij de vaststelling van de hoogte van de inkomsten buiten beschouwing te laten.
7. Het hoger beroep slaagt niet.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
J. Tuit (getekend) (getekend) M. Hillen