ECLI:NL:CRVB:2004:AR8543

ECLI:NL:CRVB:2004:AR8543, Centrale Raad van Beroep, 21-12-2004, 03/1127 WAO

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 21-12-2004
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 03/1127 WAO
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 4 zaken
4 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0002524 BWBR0005537 BWBR0013060 BWBR0013061

Samenvatting

Korting op WAO-uitkering in verband met inkomsten uit drugshandel.

Uitspraak

03/1127 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I.ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het landelijkinstituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit I van 28 februari 2000 heeft gedaagde vastgesteld dat op de naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100% vastgestelde uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) van appellant over de periode van 20 december 1993 tot en met 19 december 1994 (lees: 1996) een korting wordt toegepast alsof de uitkering was herzien naar een arbeidsongeschiktheid van 45-55% en dat die uitkering ingaande 20 december 1993 (lees: 1996) wordt herzien naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 45-55%.

Bij besluit II van 28 februari 2000 heeft gedaagde beslist dat de tengevolge van besluit I onverschuldigd aan appellant betaalde WAO-uitkering van appellant wordt teruggevorderd.

Bij besluit van 9 oktober 2000 heeft gedaagde het bezwaarschrift van appellant tegen besluiten I en II ongegrond verklaard.

De rechtbank Arnhem heeft het beroep tegen het besluit van 9 oktober 2000 bij uitspraak van 27 januari 2003, reg.nr. 01/210 WAO, ongegrond verklaard.

Namens appellant heeft mr. E.E.M. Messink, advocaat te Wijchen, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.

Van gedaagde is een verweerschift ontvangen.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op

9 november 2004 waar beide partijen, met voorafgaand bericht, niet zijn verschenen.

II. MOTIVERING

Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Aan appellant is met ingang van 20 december 1993 een uitkering ingevolge de Algemene arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de WAO toegekend, berekend naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 80 tot 100%.

Uit het rapport werknemersfraude van gedaagde van 2 september 1999 blijkt dat appellant van 1 januari 1993 tot en met 30 april 1999 heeft gehandeld in soft drugs en daaruit inkomsten heeft gehad. Deze inkomsten zijn door gedaagde op basis van ervaringscijfers van de politie vastgesteld op fl. 79,06 netto per dag. Appellant heeft die inkomsten niet bij gedaagde gemeld.

Bij besluit I heeft gedaagde beslist dat ingaande 20 december 1993 gedurende drie jaar vermelde inkomsten op appellants WAO-uitkering worden gekort, waardoor die uitkering wordt uitbetaald als ware appellant 45-55% arbeidsongeschikt en dat vervolgens per 20 december 1996 appellants uitkering wordt herzien en berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45-55%. De uit dat besluit voortvloeiende onverschuldigde betaling van uitkering over de periode van 1 oktober 1994 tot en met 30 september 1999 is door gedaagde van appellant teruggevorderd bij besluit II. Bij het bestreden besluit van 9 oktober 2000 heeft gedaagde de bezwaren tegen evenvermelde besluiten ongegrond verklaard. Met betrekking tot de houdbaarheid in rechte van het bestreden besluit overweegt de Raad als volgt.

Appellant houdt staande dat hij niet al in 1993 is begonnen met de verkoop van soft drugs, maar pas in 1997. Dit zou ook in het strafvonnis zijn neergelegd.

Ook betwist appellant de door gedaagde gemaakte schatting van zijn inkomsten. Hij verkeert evenwel in een buitengewoon slechte gezondheid, die hem verhindert bewijsstukken ter zake van zijn inkomsten te overleggen.

Voorts voert appellant aan dat nu de periode van handel slechts één jaar bedroeg, hij nog niet afgeschat mocht worden ingevolge artikel 44 WAO.

De Raad stelt - met de rechtbank - vast dat de activiteiten van appellant ten tijde hier van belang moeten worden geacht gericht te zijn geweest op het verkrijgen van inkomsten en dat die activiteiten zijn aan te merken als arbeid in de zin van artikel 44 van de WAO. Zoals de Raad eerder heeft overwogen, is een bestuursorgaan in een geval als het onderhavige, waarin de verzekerde verzuimd heeft concrete, verifieerbare gegevens betreffende zijn inkomsten te verstrekken, bevoegd om die inkomsten schattenderwijs vast te stellen. Gedaagde heeft in dit geval de inkomsten van appellant terecht gebaseerd op ervaringsgegevens van de politie, nu er geen andere, eenvoudig controleerbare methode was om deze vast te stellen. De gevolgen van het ontbreken van concrete, verifieerbare gegevens over appellants inkomen vallen geheel binnen de risicosfeer van appellant.

De uitkomsten van de strafrechtelijke vervolging van appellant zijn volgens vaste jurisprudentie van de Raad niet bepalend voor het antwoord op de vraag of en hoeveel inkomsten appellant heeft genoten.

De Raad stelt voorts vast dat uit het rapport werknemersfraude van 2 september 1999 blijkt dat appellant tijdens het politieverhoor bekend heeft vanaf 1992 te handelen in soft drugs en daaruit inkomsten te genieten.

Ook uit het procesverbaal van verhoor van appellant op 2 september 1999 blijkt dat appellant verklaart dat hij op de formulieren 1994 tot en met 1998 niet heeft vermeld dat hij inkomsten uit de drugshandel heeft, aangezien hij zijn activiteiten niet als werk zag. Uit deze verklaring volgt dat appellant - aanvankelijk - zijn activiteiten in de drugshandel over deze jaren ook ten opzichte van gedaagde niet heeft ontkend. Naar het oordeel van de Raad dient appellant te worden gehouden aan de verklaringen die hij in de onderzoeksperiode heeft afgelegd, nu appellant nadien geen dwingende bewijsstukken van het tegendeel heeft overlegd.

De Raad ziet derhalve geen reden voor twijfel aan de door gedaagde aangenomen periode waarin appellant activiteiten in de drugshandel heeft ontplooid. Dit betekent dat de door appellant aangevoerde grieven geen doel treffen.

Met betrekking tot de terugvordering verenigt de Raad zich geheel met hetgeen in de aangevallen uitspraak is overwogen.

Het vorenoverwogene betekent dat er geen aanleiding is om de aangevallen uitspraak, waarin het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard, niet in stand te laten.

De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J.W. Schuttel als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor en mr. F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van H.H.M. Ho als griffier en uitgesproken in het 21 december 2004.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) H.H.M. Ho.

MR

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl USZ 2005/65
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?