Anticumulatie
Naar vaste rechtspraak van de Raad (bijv. de uitspraak van 25 januari 2023 ECLI:NL:CRVB:2023:188) is het besluit dat de WAO-uitkering van appellante niet tot uitbetaling had moeten komen en de daaruit voortvloeiende terugvordering een belastend besluit, waarbij het aan het Uwv is om de nodige kennis over de relevante feiten en omstandigheden te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor het niet tot uitbetaling laten komen en terugvordering zijn voldaan, in beginsel op het Uwv rust. Die last om informatie te vergaren brengt mee dat het Uwv in dit geval feiten moet aandragen die aannemelijk maken dat appellante in de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2017 ondernemersactiviteiten heeft verricht die op geld waardeerbaar zijn en hieruit inkomen heeft genoten. Daarnaast dient het Uwv aannemelijk te maken dat de hoogte van dit inkomen aanleiding geeft om de verstrekte WAO-uitkering over deze periode als onverschuldigde betaling te beschouwen, welke van appellante moet worden teruggevorderd. Als het Uwv aan deze bewijslast heeft voldaan, ligt het vervolgens op de weg van appellante om de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken.
Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het standpunt van het Uwv dat appellante in de in geding zijnde periode arbeid heeft verricht en daaruit inkomsten heeft genoten op een voldoende feitelijke grondslag berust en dat appellante er niet in is geslaagd om tegenbewijs te leveren. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
Uit het rapport van de inspecteur van 17 oktober 2018 blijkt afdoende dat appellante in de in geding zijnde periode op geld waardeerbare ondernemersactiviteiten heeft verricht. Appellante heeft hier intern invulling aan gegeven met onder meer het opstellen van een pedagogisch plan, het verrichten van beleidsmatige werkzaamheden en door aanwezig te zijn op de werkvloer. Extern heeft zij hier invulling aan gegeven door onder meer namens (een van) de bedrijven deel te nemen aan gesprekken met verschillende partijen, email- en telefonische contacten te voeren met verschillende partijen, diverse overeenkomsten te tekenen en declaraties in te dienen. Ook heeft zij namens een bedrijf deelgenomen aan een zakelijke overname, in welk verband zij tevens bij een notaris is verschenen. Verder is gebleken dat appellante gebruik heeft gemaakt van haar zakelijke betaalpas en een zakelijke auto heeft gereden. Niet is gebleken dat de feitelijke werkzaamheden van appellante zodanig minimaal waren dat niet gesproken kan worden van op geld waardeerbare ondernemersactiviteiten. Appellante heeft haar standpunt in hoger beroep niet onderbouwd met gegevens die hier een ander licht op werpen. Dat sprake was van dwang en dat anderen misbruik hebben gemaakt van de psychische gesteldheid van appellante door haar voornoemde werkzaamheden te laten uitvoeren en dat om die reden de werkzaamheden niet als haar eigen werkzaamheden gezien kunnen worden, heeft appellante ook niet onderbouwd.
Uit het rapport van de inspecteur blijkt tevens afdoende dat de inkomsten van appellante, bij het ontbreken van een betrouwbare boekhouding, op een redelijke wijze zijn geschat. Appellante heeft in hoger beroep geen andere gegevens aangedragen en ook niet onderbouwd dat zij niet de beschikking over deze inkomsten heeft gehad. Voor het doorstorten van bedragen naar haar ex-partner heeft zij ook in hoger beroep geen bewijs aangedragen.
Terugvordering
Dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien doen zich voor als deze onaanvaardbare sociale en/of financiƫle gevolgen voor de betrokkene heeft. Het gaat dan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is. Degene die zich beroept op dringende redenen moet die redenen aannemelijk maken.
Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een dringende reden om geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering. Appellante is op 19 maart 2019 in kennis gesteld van de terugvordering. Niet gebleken is dat deze tot een wijziging in haar medische situatie heeft geleid. Appellante heeft voor onderbouwing van de dringende redenen verwezen naar het rapport van 4 oktober 2019 van Psytrec, het huisartsenjournaal, brieven van GGZ-instelling Altrecht en het verslag van de SEH psychiatrie, maar daaruit blijkt niet dat de psychische klachten van appellante zijn verergerd als gevolg van de terugvordering in maart 2019. Verwezen wordt naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 1 juli 2022.
Uit 4.2 tot en met 4.4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd voor zover aangevochten.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt als voorzitter en L.A. Kjellevold en I.E. Voorberg als leden, in tegenwoordigheid van C.G. van Straalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2023.
(getekend) E. Dijt
(getekend) C.G. van Straalen