OVERWEGINGEN
1.1. In de bovenvermelde uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 10 juli 2012 is het volgende overwogen (waarbij appellante is aangeduid als eiseres en de Svb als verweerder):
“Verweerder heeft bij besluit van 3 (lees: 2) september 2011 opnieuw besloten op het bezwaar van eiseres. Op dat moment was nog hoger beroep aanhangig bij de CRvB gericht tegen de ‘oude’ beslissing op bezwaar van 2 september 2007. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt het beroep geacht mede gericht te zijn tegen het nieuwe besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt. Deze bepaling geldt op grond van artikel 6:24 van de Awb eveneens ten aanzien van hoger beroep. Van algehele tegemoetkoming is hier geen sprake, nu eiseres verdergaande terugwerkende kracht van de toekenning van kinderbijslag wenst dan verweerder bereid is aan te nemen. Aangezien het eerste lid van artikel 6:19 van openbare orde is, bestaat er voor eiseres niet de mogelijkheid om het nieuwe besluit toch eerst aan de rechtbank voor te leggen. Voor deze opvatting is steun te vinden in de uitspraken van CRvB van 7 april 1999, LJN AA8689 en 15 juli 2009, LJN BJ3921 en in de uitspraak van de Afdeling Bestuursrecht van de Raad van State van
12 december 2001, LJN AD7859. Dat eiseres het hoger beroep bij brief van 16 september 2011 heeft ingetrokken, maakt niet dat de bevoegdheid om te oordelen daarmee terugkeert naar de rechtbank. (..)
Het beroep zal dan ook door de rechtbank worden doorgezonden naar de CRvB ter beoordeling. Aan deze komt ook het oordeel toe of eiseres door de intrekking van haar hoger beroep het recht heeft prijsgegeven op een beoordeling van onderhavig beroep.”
1.2. Voorop wordt gesteld dat appellante geen hoger beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak van 10 juli 2012. Daarmee heeft bovenvermeld oordeel kracht van gewijsde verkregen. De Raad ziet zich geplaatst voor de vraag of appellante ontvangen kan worden in haar tegen het besluit van 2 september 2011 ingestelde beroep van 30 september 2011.
1.3. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB, 15 juli 2009, LJN BJ3921) staat artikel 6:19 van de Awb op zich niet in de weg aan het - binnen de beroepstermijn - (zelfstandig) instellen van beroep tegen het besluit, waartegen het beroep met toepassing van dit artikel mede gericht wordt geacht. Dit ligt echter anders indien het beroep tegen dat besluit voordien bevoegd en onvoorwaardelijk is ingetrokken. De brief van 16 september 2011 valt niet anders dan een dergelijke intrekking te lezen, hetgeen niet wordt betwist door appellante. Voorts is gesteld noch gebleken dat appellante in verband met haar niet toe te rekenen omstandigheden in dwaling (of daarmee vergelijkbare omstandigheden) verkeerde omtrent de intrekking. Een rechtsgeldige intrekking van het beroep heeft tot gevolg dat het geding eindigt, zodat het beroep van 30 september 2011 niet in behandeling kan worden genomen.
1.4. Uit de overwegingen 1.1 tot en met 1.3 vloeit voort dat het hoger beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling wordt geen aanleiding gezien.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2013.
(getekend) M.M. van der Kade
(getekend) P. Boer
JvC