OVERWEGINGEN
Artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.
Verzoeker legt aan zijn verzoek om wraking ten grondslag dat mr. De Vries, tijdens het onderzoek ter zitting, vragen heeft gesteld waaruit bevoordeling van de tegenpartij zou blijken en verzoeker zich onder druk voelt gezet. Aan verzoeker wordt het recht op een inhoudelijke behandeling van de zaak ontnomen en aan zijn geloofwaardigheid wordt getwijfeld. Ook heeft verzoeker gewezen op het feit dat mr. De Vries lid is van “de tuchtcommissie”.
Een wrakingsgrond moet gelegen zijn in feiten of omstandigheden die betrekking hebben op (de persoon van) de rechter die de zaak behandelt. Bij een beoordeling van een beroep op het ontbreken van de onpartijdigheid van de rechter dient voorts het uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing vormt voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is (zie bijvoorbeeld het arrest van de Hoge Raad van 21 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9141).
Uit het proces-verbaal van de zitting van 2 april 2014 blijkt dat mr. De Vries aan verzoeker vragen heeft gesteld over de ontvankelijkheid van het bezwaar, de bevoegdheid van de Raad om van het hoger beroep kennis te nemen en de ontvankelijkheid van het hoger beroep. Over de ontvankelijkheid van het bezwaar heeft mr. De Vries ook vragen gesteld aan de vertegenwoordiger van CIZ. Het proces-verbaal bevat geen enkel aanknopingspunt voor de juistheid van de stelling van verzoeker dat mr. De Vries CIZ zou hebben bevoordeeld of verzoeker onder druk zou hebben gezet.
Het stellen van kritische vragen behoort tot de taak van de rechter. In het door appellant ingestelde hoger beroep ligt onder meer de vraag voor of het door hem gemaakte bezwaar ontvankelijk is. Om die reden is het ook aangewezen dat daarover vragen worden gesteld. Uit het enkele feit dat deze (kritische) vragen worden gesteld kan geen objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid of vooringenomenheid van de rechter worden afgeleid.
Uit de door mr. De Vries gegeven reactie op het wrakingsverzoek en uit het op www.rechtspraak.nl gepubliceerde register “beroepsgegevens en nevenbetrekkingen rechterlijke macht” blijkt dat mr. De Vries lid is van de tuchtcommissie van de Koninklijke Nederlandse Hockey Bond. Niet valt in te zien hoe dat lidmaatschap in het onderhavige hoger beroep de door verzoeker geuite vrees voor belangenverstrengeling tot gevolg kan hebben.
Uit 3.1 tot en met 3.4 volgt dat het verzoek om wraking van mr. De Vries moet worden afgewezen.
Verzoeker heeft in zijn hogerberoepschrift al gewaarschuwd voor het indienen van een wrakingsverzoek. Gelet hierop en de door verzoeker aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag gelegde argumenten, wordt geconcludeerd dat verzoeker misbruik maakt van de mogelijkheid wrakingsverzoeken in te dienen. Gelet op het bepaalde in artikel 8:18, vierde lid, van de Awb zal worden bepaald dat een volgend verzoek van verzoeker om wraking van mr. De Vries in dit hoger beroep niet in behandeling wordt genomen.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en B.J. van de Griend en
J.J.T. van den Corput als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 april 2014.
(getekend) A. Beuker-Tilstra
(getekend) D.E.P.M. Bary