OVERWEGINGEN
1. De behandeling van wrakingsverzoeken vindt plaats met inachtneming van de regels uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Wrakings- en verschoningsregeling bestuursrechtelijke rechtscolleges 2022 (Regeling). Deze regels zijn te vinden in de bijlage bij deze beslissing. De bijlage maakt deel uit van de beslissing.
2. Verzoeker heeft aan zijn verzoek om wraking het volgende ten grondslag gelegd. De zaak van verzoeker draait om de vraag of artikel 32 van de Participatiewet ruimte biedt om rekening te houden met verwervingskosten in geval van een negatief inkomen. Verzoeker stelt dat de vaste rechtspraak van de Raad hierover niet klopt. De behandelend rechters zijn betrokken geweest bij die vaste rechtspraak en hebben daarbij fundamentele fouten gemaakt. Door deze eerdere uitspraken staat zwart op wit dat de behandelend rechters het met verzoeker oneens zijn. Hierdoor bestaat bij verzoeker de vrees dat de behandelend rechters niet kritisch kunnen kijken naar hun eigen oordelen en handelen en niet kunnen vaststellen dat zij zelf eerder fouten hebben gemaakt.
3. Bij brief van 7 maart 2024 is verzoeker uitgenodigd voor de zitting op 9 april 2024 en is hem meegedeeld welke rechters zijn hoger beroep zullen behandelen. Met de ontvangst van deze uitnodiging is verzoeker dus bekend geworden met de namen van de behandelend rechters. Verzoeker had kort nadien op de hoogte kunnen zijn van de feiten waaruit volgens verzoeker een vooringenomenheid van de behandelend rechters blijkt. Daarbij is van belang dat verzoeker in zijn verzoek om wraking heeft gewezen op een, mede door een van de behandelend rechters gewezen, uitspraak van de Raad, waarbij hij zelf partij was en die hij reeds noemde in het hogerberoepschrift. Niettemin heeft verzoeker ongeveer vier weken – namelijk tot enkele dagen vóór de zitting – gewacht met de indiening van zijn wrakingsverzoek. Dat hij toen pas heeft opgezocht bij welke zaken de behandelend rechters eerder betrokken zijn geweest, komt voor zijn rekening en risico. Gelet hierop is niet voldaan aan artikel 8:16, eerste lid, van de Awb. Dit betekent dat het verzoek om wraking niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzoek om wraking niet-ontvankelijk.
Deze beslissing is gegeven door E. Dijt als voorzitter en T. Dompeling en A. van Gijzen als leden, in tegenwoordigheid van M. Sheerzad als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2024.
(getekend) E. Dijt
(getekend) M. Sheerzad
Bijlage: voor deze beslissing belangrijke wettelijke regels
Artikel 8:15 van de Awb
Op verzoek van een partij kan elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
Artikel 8:16 van de Awb
1. Het verzoek wordt gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden.
[…]
Artikel 1 van de Regeling
1. Een verzoek om wraking dient:
[…]
b. te worden gedaan zodra de feiten en omstandigheden waardoor volgens de indiener de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden aan de verzoeker bekend zijn geworden;
[…]