OVERWEGINGEN
Artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.
De gemachtigde van verzoeksters heeft aan het verzoek om wraking van
mr. Van Vulpen-Grootjans ten grondslag gelegd dat verzoekster geen vertrouwen heeft in de aanpak, zoals beschreven in de uitnodigingsbrief van 6 februari 2014 en de wijze waarop daar ter zitting uitvoering aan is gegeven. Gemachtigde heeft toegelicht dat hij niet in staat is om het standpunt van verzoekster goed te verwoorden als hij niet in de gelegenheid wordt gesteld haar standpunt aan de hand van een pleitnota naar voren te brengen. Bovendien is de zaak zo complex en moeten er nog zoveel aspecten worden uitgezocht om tot een oplossing te kunnen komen, dat de zaak niet op een zitting door een rechter kan worden behandeld.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Uit het wrakingsverzoek, en de daarop door gemachtigde op de zitting gegeven toelichting, blijkt dat het wrakingsverzoek met name is gericht tegen de in de brief van
6 februari 2014 beschreven procedure over het verloop van de zitting en de wijze waarop hieraan op de zitting van 20 maart 2014 uitvoering is gegeven. De beslissing om de zitting te beginnen met het stellen van vragen en niet met het laten voordragen van pleitnota’s door (gemachtigden van) partijen is een werkwijze die voor de behandeling van alle ambtenarenzaken geldt. Hieruit volgt niet dat de rechtelijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. De omstandigheid dat volgens verzoekster sprake is van een complexe zaak, waarin nog diverse aspecten moeten worden uitgediept en waartoe de behandeling op een enkele zitting niet zou kunnen volstaan, maakt dat niet anders. Mocht de behandelend rechter verzoekster volgen in haar opvatting dat nader onderzoek vereist is, dan kan deze immers de zaak op zitting aanhouden, de zaak na de zitting heropenen of een tussenuitspraak doen, waarin het bestuursorgaan de opdracht wordt gegeven een of meerdere verzuimen te herstellen. Daartoe is echter eerst een behandeling ter zitting vereist.
Uit 3.1 volgt dat het verzoek om wraking moet worden afgewezen.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om wraking af.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en J.P.M. Zeijen en M. Hillen als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2014.
(getekend) J. Brand
(getekend) A.C. Oomkens