OVERWEGINGEN
1. Artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.
2. Artikel 3, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wrakingsregeling bestuursrechterlijke colleges 2013 (Stcrt. 2013, nr. 11425) bepaalt dat de wrakingskamer, zonder daartoe een zitting te houden, kan beslissen dat een verzoek om wraking niet in behandeling wordt genomen indien het verzoek betrekking heeft op het college als zodanig.
3. Verzoekster heeft aan het wrakingsverzoek ten grondslag gelegd dat mr. Bootsma heeft nagelaten haar verzoek te honoreren een tussenuitspraak te doen en ter zitting een nieuwe zittingsdatum vast te stellen, terwijl daartoe volgens haar wel aanleiding bestond aangezien drs. [naam 2], voorzitter van het Drechtstedenbestuur, in strijd met de Awb zou hebben gehandeld. Volgens verzoekster is slechts sprake van een procedurele grond voor wraking. Verzoekster heeft ter zitting expliciet verklaard dat de aanpak van mr. Bootsma ter zitting uitstekend was, maar dat verzoekster de zitting niet wilde verlaten zonder resultaat.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Verzoekster beoogt gelet op het verhandelde ter zitting te bewerkstelligen dat mr. Bootsma reeds ter zitting voor het sluiten van het onderzoek het oordeel uitspreekt dat de Drechtraad - een aan een termijn gebonden - opdracht krijgt de door verzoekster in haar pleitnota gesignaleerde verzuimen te herstellen en dat zij vervolgens ter zitting een nieuwe zittingsdatum in december 2015 vaststelt.
De Awb maakt inwilliging van het verzoek om voor de sluiting van het onderzoek ter zitting uitspraak te doen en vervolgens ter zitting een datum vast te stellen voor een nieuwe behandeling niet mogelijk. De Raad wijst op de artikelen 8:65, 8,66 en 8:67 van de Awb.
Mr. Bootsma heeft hier verzoekster overigens op gewezen en verzoekster voorgehouden dat zij na sluiting van het onderzoek ter zitting zich op het verzoek om een opdracht te verstrekken als door verzoekster gevraagd zal beraden en zo nodig deze opdracht bij (tussen)uitspraak zal verstrekken.
Een wrakingsgrond moet zijn gelegen in feiten of omstandigheden die betrekking hebben op (de persoon van) de rechter die de zaak behandelt en moet het betrokken lid van de Raad betreffen, niet de Raad als college. De gronden van het wrakingsverzoek hebben gelet op hetgeen is overwogen in 3 geen betrekking op de behandeling van de zaak door mr. Bootsma. Met de wraking van mr. Bootsma poogt appellant een oordeel van de rechter te krijgen op een wijze waarin de Awb niet voorziet. Geen enkele rechter van de Raad kan mitsdien aan het verzoek van verzoekster voldoen, zodat het wrakingsverzoek gericht is tegen de Raad als college. Gelet op het vorenstaande ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wrakingsregeling bestuursrechterlijke colleges 2013 het verzoek om wraking van mr. Bootsma niet in behandeling te nemen.
Artikel 8:18, vierde lid, van de Awb bepaalt dat in geval van misbruik de bestuursrechter kan bepalen dat een volgend verzoek om wraking niet in behandeling wordt genomen.
Nu verzoekster in dezelfde hogerberoepszaak tot tweemaal toe een niet geslaagd verzoek tot wraking heeft gedaan en het tweede wrakingsverzoek niet zozeer is gericht tegen de rechter die haar zaak ter zitting heeft behandeld, maar meer tegen de rechtspraak van de Raad, is de conclusie gerechtvaardigd dat verzoekster misbruik maakt van de bevoegdheid wrakingsverzoeken in te dienen. Gelet op het bepaalde in artikel 8:18, vierde lid, van de Awb zal de Raad bepalen dat een volgend wrakingsverzoek van verzoekster in dit hoger beroep niet in behandeling wordt genomen.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en J.P.M. Zeijen en M. Hillen als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2015.
(getekend) J. Brand
(getekend) P.W.J. Hospel