OVERWEGINGEN
1.1. Appellant was sinds 1976 in vaste dienst van de [naam gemeente]. Sedert 1 juli 1991 was hij werkzaam als marktmeester, laatstelijk bij [naam].
1.2. Op 11 januari 2010 heeft de politie Amsterdam-Amstelland vijf markmeesters, onder wie appellant aangehouden; twee anderen werden nog gezocht. Alle zeven marktmeesters werden verdacht van het aannemen van steekpenningen van marktkooplieden, waarmee in totaal een bedrag van € 35.000,- gemoeid zou zijn. Tegen appellant en de andere markmeesters is een strafrechtelijk onderzoek ingesteld.
1.3. Op basis van de bevindingen van het strafrechtelijk onderzoek heeft het Bureau Integriteit van de gemeente Amsterdam de bestuurscommissie geadviseerd om aan appellant de maatregel van onvoorwaardelijk strafontslag op te leggen. Bij besluit van 4 november 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 21 maart 2011 (bestreden besluit), heeft de bestuurscommissie appellant met ingang van 6 november 2010 strafontslag verleend. Aan het bestreden besluit heeft de bestuurscommissie ten grondslag gelegd dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan zeer ernstig plichtsverzuim doordat hij geld heeft aangenomen van marktkooplieden en betrokken is geweest bij het systematisch inzamelen van gelden van marktkooplieden en daarvan heeft geprofiteerd.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft aangevoerd dat onvoldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van de bestuurscommissie dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan zeer ernstig plichtsverzuim. Appellant erkent dat hij wel eens een fooi voor een kop koffie heeft aangenomen en dat dat in strijd is met de voor een marktmeester geldende voorschriften, maar van zeer ernstig plichtsverzuim is geen sprake. De bestuurscommissie had dan ook, gelet op de lange en onberispelijke staat van dienst van appellant, niet de zwaarst mogelijke sanctie mogen opleggen, maar moeten volstaan met een voorwaardelijk strafontslag. Appellant heeft voorts aangevoerd dat de bestuurscommissie in strijd heeft gehandeld met het gelijkheidsbeginsel omdat aan bestuurders wordt toegestaan giften te accepteren met een waarde tot ten hoogste € 45,-.
De Raad komt tot de volgende beoordeling
Op grond van artikel 11.1 van de Nieuwe rechtspositieregeling Gemeente Amsterdam (NRGA) volgt de ambtenaar de hem gegeven voorschriften op en behoort hij in het algemeen alles te doen of na te laten wat van een goed ambtenaar wordt verwacht. In artikel 11.3, aanhef en onder c, van de NGRA is bepaald dat het de ambtenaar verboden is van het publiek fooien of geschenken te vragen, het geven hiervan uit te lokken of deze aan te nemen. Op grond van artikel 13.4 van de NGRA kan de ambtenaar worden gestraft als hij zich niet gedraagt overeenkomstig artikel 11.1 en hij zich daarmee schuldig maakt aan plichtsverzuim. Op grond van artikel 13.6, eerste lid, aanhef en onder f, van de NGRA kan een ambtenaar strafontslag worden verleend.
Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 15 september 2011, ECLI:NL:CRVB: 2011:BT1997) is het voor de constatering van plichtsverzuim dat tot disciplinaire bestraffing leidt noodzakelijk dat op grond van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat de ambtenaar de hem verweten gedragingen heeft begaan.
Onder verwijzing naar overweging 1.3 wordt voorop gesteld dat appellant wordt verweten dat hij geld heeft aangenomen van marktkooplieden en dat hij betrokken is geweest bij het systematisch inzamelen van gelden van marktkooplieden en daarvan heeft geprofiteerd. Anders dan waarvan appellant in hoger beroep is uitgegaan, wordt hem niet verweten dat hij in ruil voor de door hem ontvangen gelden aan de marktkooplieden gunsten heeft verleend.
Op grond van de beschikbare gegevens, waaronder observaties, verklaringen van marktkooplieden en andere marktmeesters en in beslag genomen enveloppen met geld met daarop berekeningen en codes, is de conclusie gerechtvaardigd dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan de hem verweten gedragingen.
Betaling van de standplaatsen op de markt vindt al geruime tijd plaats met een pasje, zodat geen contant geld meer nodig is. Bij door verschillende opsporingsambtenaren uitgevoerde observaties op 9 november 2009, 28 november 2009 en 11 januari 2010 is waargenomen dat appellant contant geld heeft aangenomen van marktkooplieden. Op
9 november 2009 is gezien dat appellant tweemaal een briefje van € 20,- heeft ontvangen, op 28 november 2009 ging het om een bankbiljet van € 50,- en op 11 januari 2011 om bedragen van € 2,- en € 10,-. Drie marktkooplieden hebben tegenover opsporingsambtenaren verklaard dat zij aan de markmeesters geld hebben betaald en hebben daarbij expliciet de naam van appellant genoemd. Appellant heeft op 13 januari 2010 tegenover opsporingsambtenaren verklaard dat hij per week tussen € 30,- en € 60,- aan koffiegeld ontvangt en dat hij dan een goede week heeft. De politie heeft bij een doorzoeking in het kantoor van de marktmeesters enveloppen met contant geld in beslag genomen. Vijf marktmeesters hebben verklaard dat de envelop met de code “lotto zat” de dagopbrengst bevatte van de op zaterdag opgehaalde gelden. Het geld werd iedere week verdeeld onder de zeven marktmeesters en in zeven enveloppen gedaan, voorzien van de initialen van de verschillende marktmeesters. Appellant heeft steeds ontkend dat hij meedeed, maar die ontkenning staat haaks op wat vijf andere marktmeesters hebben verklaard. Voor het feit dat de opbrengst blijkens op de enveloppen teruggevonden berekeningen door zeven werd gedeeld, heeft appellant geen verklaring gegeven.
De door appellant in hoger beroep overgelegde stukken, waaronder de verklaringen van door de rechter-commissaris in de strafzaak van appellant gehoorde getuigen en het strafvonnis van de rechtbank Amsterdam van 19 november 2013 werpen geen ander licht op de zaak.
Door geld aan te nemen van marktkooplieden en door zijn betrokkenheid bij het systematisch inzamelen van gelden van marktkooplieden waarvan hij heeft geprofiteerd heeft appellant zich schuldig gemaakt aan het hem verweten plichtsverzuim. Hierdoor is het aanzien van [naam gemeente] ernstig geschaad en heeft appellant het vertrouwen van de gemeente geschonden. Dit plichtsverzuim rechtvaardigt daarom de oplegging van de zwaarste straf van onvoorwaardelijk ontslag. De door appellant gestelde lange en onberispelijke staat van dienst, maakt dat, gelet op de ernst van het appellant verweten gedrag, niet anders.
Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt. Van gelijke gevallen is geen sprake.
Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak
Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en J.J.A. Kooijman en
G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2014.
(getekend) K.J. Kraan
(getekend) J.T.P. Pot
ew