BESLISSING
HD
13/6043 WWB-PV
Datum uitspraak: 4 november 2014
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 4 oktober 2013, 12/2050 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Maastricht (college)
Zitting hebben: W.F. Claessens als voorzitter en M. Hillen en G.M.G. Hink als leden
Griffier: T.A. Meijering
Ter zitting zijn verschenen:
H.M. Pluijmaeckers, vertegenwoordiger van het college.
De Centrale Raad van Beroep
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:
Appellant heeft het college op 28 maart 2012 verzocht om toestemming om drie maanden met behoud van bijstandsuitkering in Marokko te verblijven, om te beginnen in de periode van
15 juni 2012 tot 15 juli 2012. Het college heeft appellant bij brief van 11 mei 2012 medegedeeld dat appellant toestemming krijgt om van 15 juni 2012 tot 14 juli 2012 in het buitenland te verblijven en dat het gevolg van niet tijdige terugkeer naar Nederland is dat vanaf 14 juli 2012 geen recht op bijstand meer bestaat. Het college heeft het bezwaar tegen deze brief bij besluit van 22 oktober 2012 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard.
Ambtshalve moet de Raad de vraag beantwoorden of de brief van het college van 11 mei 2012 een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 1 december 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BG6745, beantwoordt de Raad deze vraag ontkennend, omdat die brief niet zelfstandig op rechtsgevolg is gericht. Rechtsgevolgen die zich door het verblijf in het buitenland kunnen voordoen, zoals beëindiging of intrekking van bijstand of het opleggen van een verlaging als bedoeld in
artikel 18, tweede lid, van de WWB, kunnen immers pas intreden nadat het bestuursorgaan daarover een nadere afweging heeft gemaakt. Dit gebeurt eerst indien duidelijk is dat appellant is vertrokken, hoe lang hij feitelijk in het buitenland heeft verbleven en of daarbij de maximaal geldende vakantieduur is overschreden of verplichtingen zijn geschonden.
Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 974,- in beroep en op € 487,- in hoger beroep, in totaal dus
€ 1.461,-.
Het verzoek om het college te veroordelen tot vergoeding van schade komt niet voor toewijzing in aanmerking.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) T.A. Meijering (getekend) W.F. Claessens
Voor eensluidend afschrift
de griffier van de
Centrale Raad van Beroep