ECLI:NL:CRVB:2014:695

ECLI:NL:CRVB:2014:695, Centrale Raad van Beroep, 04-03-2014, 11-2064 WWB

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 04-03-2014
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 11-2064 WWB
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 2 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537 BWBR0015703

Samenvatting

Ontheffing van de actieve sollicitatieverplichting tot een bepaalde datum gebaseerd op bijzondere sociale omstandigheden bestaande uit de grote afstand van appellant tot de arbeidsmarkt en uit het feit dat hij indertijd in allerlei procedures met het college was verwikkeld over de ontheffingen. Geen dringende redenen om langer ontheffing te verlenen. Meenemen nieuw besluit hangende beroep. Rechtbank heeft ten onrechte een besluit als primair besluit aangemerkt.

Uitspraak

OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontvangt vanaf 1 maart 1995 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

Bij besluit van 9 juli 1997, zoals na bezwaar gewijzigd bij besluit van 5 januari 1999, heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 augustus 1997 verlaagd met 10% voor de duur van een maand op de grond dat appellant heeft geweigerd passende arbeid in de vorm van een zogenoemde Melkertbaan te aanvaarden. Deze verlaging is na beroep en hoger beroep in stand gebleven.

In afwachting van een medische keuring heeft het college appellant bij besluit van

29 april 2005 voor drie maanden ontheven van de actieve sollicitatieverplichting. De uitkomst van de medische keuring is voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 10 april 2006 appellant geen ontheffing meer te verlenen van de actieve sollicitatieplicht en onder meer als eis te stellen dat appellant maandelijks minimaal acht sollicitaties diende te verrichten. Dit besluit is bij de uitspraak van de Raad van 7 maart 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BP7505) in stand gebleven.

Bij besluit van 1 april 2008 heeft het college appellant tot 1 augustus 2008, bij besluit van 18 juni 2009 verlengd tot 1 augustus 2010, ontheffing verleend van de verplichting om te solliciteren en om deel te nemen aan voorzieningen die de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI) aanbiedt.

Bij besluit van 12 augustus 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 27 september 2010 (bestreden besluit 1), heeft het college appellant ontheffing van de actieve sollicitatieverplichting verleend vanwege de afstand van appellant tot de arbeidsmarkt en voorts bepaald dat geen ontheffing meer wordt verleend van de verplichting om deel te nemen aan activiteiten die de DWI aanbiedt.

Bij besluit van 18 januari 2011 heeft het college het besluit van 12 augustus 2010 ingetrokken. Voorts heeft het college appellant ontheffing verleend van de actieve sollicitatieverplichting wegens bijzondere sociale omstandigheden, totdat de klantmanager heeft vastgesteld dat appellant weer voldoende in staat is zich te richten op het zoeken naar werk. Verder heeft het college appellant voorlopig tot 1 maart 2011 ontheven van de verplichting om mee te werken aan activiteiten die de DWI hem aanbiedt. Bij besluit van

23 maart 2011 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van

18 januari 2011 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 1 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 2 niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant onvoldoende inhoudelijk procesbelang heeft bij de inhoudelijke beoordeling van zijn beroep omdat hij zowel ontheffing heeft gekregen van de actieve sollicitatieverplichting als tijdelijk van de passieve sollicitatieverplichting. Wel heeft de rechtbank het college veroordeeld om appellant het in beroep betaalde griffierecht te vergoeden, omdat het college ten onrechte niet onverwijld het besluit van 18 januari 2011 ter kennis van de rechtbank had gebracht, waardoor de rechtbank indertijd dat besluit ten onrechte niet in die procedure kon beoordelen.

Appellant heeft zich in hoger beroep op formele en inhoudelijke gronden tegen beide aangevallen uitspraken gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Aangevallen uitspraak 1.

Het college heeft bij het besluit van 18 januari 2011, dat een dag vóór de behandeling van het beroep tegen het bestreden besluit 1 ter zitting van de rechtbank is genomen, het besluit van 12 augustus 2010 ingetrokken en daarvoor in de plaats een nieuw besluit genomen. Dit betekent dat het besluit van 18 januari 2011 een besluit is als bedoeld in de artikelen 6:18, tweede lid, en artikel 6:19 (oud) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dat het college daarvan, zoals appellant terecht heeft aangevoerd, ten onrechte niet onverwijld mededeling aan de rechtbank heeft gedaan. Nu het college, door de intrekking van het besluit van

12 augustus 2010, het bestreden besluit 1 niet langer handhaaft, dient het bestreden besluit 1 te worden vernietigd, evenals de aangevallen uitspraak 1, waarbij het bestreden besluit 1 ten onrechte in stand is gelaten. De Raad zal het besluit van 18 januari 2011 alsnog betrekken in deze procedure in hoger beroep en over dat besluit hierna onder 4.3 tot en met 4.7 een inhoudelijk oordeel geven.

Appellant heeft verder terecht aangevoerd dat het bestreden besluit 1 is genomen in strijd met artikel 7:4, derde lid, van de Awb, omdat het college hem niet heeft meegedeeld waar en wanneer de op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage zijn gelegd. Dit laat onverlet dat appellant uit eerdere procedures bekend is met de mogelijkheid van inzage. Desondanks heeft hij niet om inzage gevraagd, maar eerst in beroep op dit gebrek gewezen. Onder deze omstandigheden moet worden geoordeeld dat appellant door dit gebrek niet in zijn belangen is geschaad, zodat de schending van dit vormvoorschrift kan worden gepasseerd. Dit betekent tevens dat het hierop gebaseerde verzoek van appellant om veroordeling van het college tot vergoeding van schade en tot betaling van een dwangsom moet worden afgewezen.

Aangevallen uitspraak 2.

Zoals uit 4.1 blijkt, hebben het college en de rechtbank het besluit van 18 januari 2011 ten onrechte aangemerkt als een primair besluit, waartegen eerst bezwaar moest worden gemaakt, alvorens beroep kon worden ingesteld. Dit besluit wordt betrokken in de procedure in hoger beroep over de aangevallen uitspraak 1, zoals is overwogen onder 4.1. Dit betekent tevens dat de rechtbank onbevoegd was over het bestreden besluit 2 een oordeel te geven. De aangevallen uitspraak 2 dient om die reden te worden vernietigd wegens strijd met het bepaalde in de artikelen 6:18, tweede lid, en 6:19 (oud) van de Awb. Het bestreden besluit 2 dient om dezelfde reden te worden vernietigd.

Besluit van 18 januari 2011.

Appellant heeft inhoudelijk geen bezwaar tegen het feit dat hem ontheffing is verleend van de actieve sollicitatieverplichting, maar wil, met het oog op de toekomst, weten waarop deze ontheffing is gebaseerd. Het college heeft ter zitting toegelicht dat de in de ontheffing als grondslag genoemde bijzondere sociale omstandigheden bestaan uit de grote afstand van appellant tot de arbeidsmarkt en uit het feit dat hij indertijd in allerlei procedures met het college was verwikkeld over de ontheffingen. Nu appellant wat betreft de ontheffing van de actieve arbeidsverplichting inhoudelijk heeft wat hij wil hebben, behoeft dit onderdeel van het besluit geen verdere bespreking.

De ontheffing van de verplichting om mee te werken aan door de DWI aan te bieden voorzieningen is verleend tot 1 maart 2011. Volgens het college bestaan geen dringende redenen als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de WWB om langer ontheffing te verlenen. Appellant vindt dat die ontheffing langer had moeten duren. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het college hem in het verleden, in 1997, een zogenoemde Melkert-baan heeft aangeboden, zodat het college hem kennelijk onbemiddelbaar voor de arbeidsmarkt acht. Gelet daarop kan van hem niet verlangd worden dat hij deelneemt aan door de DWI aan te bieden voorzieningen.

Uit de in 2006 omtrent appellant opgemaakte medische rapportage blijkt dat bij hem geen beperkingen bestaan om arbeid te verrichten. Appellant heeft niet aangevoerd dat sprake is van een verslechtering van zijn gezondheidstoestand. Noch in dit opzicht, noch in wat appellant anderszins heeft aangevoerd zijn voor appellant dringende redenen gelegen om niet gebruik te maken van door de DWI aan te bieden voorzieningen. De deelname van appellant aan het arbeidsproces is namelijk niet op voorhand volstrekt denkbeeldig te achten. Voorts kan niet op voorhand al, zoals appellant aanvoert, deelname aan een door de DWI aangeboden voorziening als dwangarbeid betiteld worden (vergelijk de uitspraak van de Raad van

8 februari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL1093). Dit betekent dat het college bij het besluit van 18 januari 2011 kon weigeren om appellant vanaf 1 maart 2011 ontheffing te verlenen van de hier bedoelde verplichting. Wel dient nog te worden opgemerkt dat het college bij een concrete invulling van deze verplichting op appellant toegesneden maatwerk moet leveren en uitdrukkelijk rekening zal moeten houden met het feit dat appellant in de loop der jaren, mede door de niet altijd consistente aanpak van het college, een grote afstand tot deelname aan het arbeidsproces heeft verkregen.

Gelet op wat is overwogen onder 4.4 tot en met 4.6, dient het beroep dat geacht wordt te zijn gericht tegen het besluit van 18 januari 2011 ongegrond te worden verklaard.

Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 13,62 in hoger beroep wegens reiskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak 1;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 27 september 2010 gegrond en vernietigt dat

besluit;

- vernietigt de aangevallen uitspraak 2;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 23 maart 2011 gegrond en vernietigt dat besluit;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 18 januari 2011 ongegrond;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade en tot betaling van een

dwangsom af;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 13,62;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beide zaken in beroep en in hoger beroep

betaalde griffierecht, van in totaal € 306,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en J.F. Bandringa en E.C.R. Schut als leden, in tegenwoordigheid van O.P.L. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2014.

(getekend) J.C.F. Talman

(getekend) O.P.L. Hovens

HD

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?