ECLI:NL:CRVB:2014:986

ECLI:NL:CRVB:2014:986, Centrale Raad van Beroep, 26-03-2014, 13-408 WW

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 26-03-2014
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 13-408 WW
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 3 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0004045 BWBR0011353 BWBR0026038

Samenvatting

Beroep op vertrouwensbeginsel faalt. Aan de ter zitting overgelegde email heeft appellant geen in rechte te honoreren verwachting kunnen ontlenen dat het Uwv in zijn geval de ondernemersaftrek niet zou meetellen voor de vaststelling van het in aanmerking te nemen inkomen.

Uitspraak

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is met ingang van 1 juni 2007 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Het Uwv heeft appellant bij besluit van 12 juli 2007 toestemming verleend om met behoud van uitkering gedurende de periode van 16 juli 2007 tot en met 13 januari 2008 werkzaamheden in de uitoefening van een eigen bedrijf te verrichten. In dit besluit is bepaald dat tijdens deze startperiode de WW-uitkering doorloopt en dat op die uitkering 70% van zijn inkomsten als zelfstandige in mindering zullen worden gebracht. Ten slotte is bepaald dat de uitkering over deze periode bij wijze van voorschot betaalbaar wordt gesteld.

1.2. Het Uwv heeft bij besluit van 6 februari 2008 het recht van appellant op uitkering met ingang van 14 januari 2008 beëindigd voor 20 uur per week wegens diens werkzaamheden als zelfstandige. Daarbij is appellant er nogmaals op gewezen dat over de periode van 16 juli 2007 tot 14 januari 2008 70% van zijn inkomsten als zelfstandige op zijn WW-uitkering in mindering worden gebracht en dat appellant hierover te zijner tijd zal worden geïnformeerd.

1.3. Bij besluit van 14 november 2011 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant, in verband met zijn inkomsten als zelfstandige, een te hoog voorschot heeft ontvangen en is een bedrag van € 9.400,30 bruto van appellant teruggevorderd. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Bij besluit van 18 juni 2012 is dat bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Appellant heeft in hoger beroep opnieuw aangevoerd dat het Uwv hem onvolledig heeft geïnformeerd over de inkomsten als zelfstandige die op zijn WW-uitkering in mindering worden gebracht. Volgens appellant heeft het Uwv bij de berekening van zijn inkomsten als zelfstandige ten onrechte de over de jaren 2007 en 2008 ontvangen ondernemersaftrek meegenomen.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Op grond van artikel 77a, eerste lid, van de WW kan het Uwv een werknemer toestemming verlenen om gedurende maximaal 26 kalenderweken werkzaamheden in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep te verrichten. Op grond van het tweede lid blijft voor de werknemer, bedoeld in het eerste lid, het recht op uitkering op grond van hoofdstuk II bestaan.

Op grond van artikel 35aa, eerste lid, van de WW wordt, indien de werknemer toestemming heeft gekregen van het Uwv om werkzaamheden als bedoeld in artikel 77a, eerste lid, van de WW te verrichten, de uitkering verminderd met 70% van de inkomsten uit of in verband met die werkzaamheden. Op grond van het tweede lid kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld met betrekking tot de inkomsten, bedoeld in het eerste lid, de berekening daarvan en de periode waaraan deze worden toegerekend.

De regels, bedoeld in artikel 35aa, tweede lid, van de WW zijn gesteld bij het Besluit vaststelling inkomsten startende zelfstandigen WW, Staatsblad 2006, 305 (Besluit). In artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van dit Besluit is, voor zover hier van belang, bepaald dat onder inkomen als bedoeld in artikel 35aa, eerste lid, van de WW wordt verstaan: de belastbare winst uit onderneming, bedoeld in paragraaf 3.2.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001, vermeerderd met de ondernemersaftrek, bedoeld in artikel 3.74 van die wet. Hieruit volgt dat het Uwv de ondernemersaftrek terecht heeft aangemerkt als inkomsten uit of in verband met werkzaamheden als zelfstandige die in mindering worden gebracht op de

WW-uitkering.

Naar aanleiding van de stelling van appellant dat het Uwv hem onvoldoende heeft geïnformeerd over de verrekening van zijn inkomsten als zelfstandige wordt het volgende overwogen. Het Uwv heeft appellant bij brieven van 12 juli 2007 en 6 februari 2008 uitdrukkelijk meegedeeld dat sprake was van een voorschot en dat 70% van zijn inkomsten als zelfstandige gedurende de startperiode in mindering zal worden gebracht op zijn

WW-uitkering. Weliswaar staat in die brieven niet in de exacte bewoording van de noteren regeling vermeld wat onder inkomsten als startende zelfstandige moet worden verstaan, maar dat gegeven kan er niet toe leiden dat (een deel van) de inkomsten als startende zelfstandige, in strijd met artikel 35aa, tweede lid, van de WW en het Besluit, niet in mindering worden gebracht op zijn WW-uitkering.

Indien en voor zover appellant een beroep heeft willen doen op het vertrouwensbeginsel slaagt dit beroep niet. Aan de ter zitting overgelegde email van werkcoach Koenders van

20 maart 2008 heeft appellant geen in rechte te honoreren verwachting kunnen ontlenen dat het Uwv in zijn geval de ondernemersaftrek niet zou meetellen voor de vaststelling van het in aanmerking te nemen inkomen. Bovendien kan de informatie uit deze email voor appellant niet gedragsbepalend zijn geweest voor zijn handelen als ondernemer tijdens de startperiode omdat die informatie pas na afloop van die startperiode aan appellant is verstrekt. Ook overigens is niet gebleken dat appellant door het Uwv is toegezegd dat de ondernemersaftrek buiten aanmerking zou worden gelaten bij de vaststelling van zijn inkomsten als startende zelfstandige.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2014.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) Z. Karekezi

IvR

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?