OVERWEGINGEN
Appellanten waren werkzaam als [naam finctie A] ([functie A]) in de voormalige politieregio [politieregio], thans de eenheid [eenheid].
Als uitwerking van het Akkoord Arbeidsvoorwaarden sector politie 2005-2007 is op
1 november 2010 de circulaire Harmonisatie arbeidsvoorwaarden politie tweede tranche in werking getreden (Stcrt. 2010, 19782). Een van de te harmoniseren onderwerpen is het in bijlage 6 van de circulaire opgenomen ‘Loopbaanbeleid van assistent A tot en met senior binnen de [functie A]’ (loopbaanbeleid). Dit loopbaanbeleid is de vastlegging van de binnen de politie gemaakte collectieve afspraken over de mogelijkheden tot doorstroming van ambtenaren binnen de [functie A] naar een volgend niveau of volgende functie. Voor de doorstroming van [naam functie B] (schaal 7) naar [naam functie C] (schaal 8) is, voor zover hier van belang, als vereiste gesteld dat sprake is van ‘vakmanschap blijkend uit een recente beoordeling boven de norm met daarin opgenomen verwachte geschiktheid voor [naam functie C]’. In april 2013 zijn nadere uitvoeringsafspraken vastgesteld. De korpschef heeft het loopbaanbeleid alsmede de uitvoeringsafspraken ten grondslag gelegd aan zijn beslissingen op verzoeken om doorstroming (bevordering).
Het loopbaanbeleid is door de vijf voormalige politieregio’s van [eenheid] nader uitgewerkt in het kaderdocument ‘Uitvoering landelijk loopbaanbeleid doorstroming executieven in de [functie A] ten behoeve van de korpsen binnen de eenheid [eenheid]’ van
1 december 2011 (kaderdocument). In het kaderdocument is vastgelegd dat voor de vijf korpsen binnen [eenheid] ruimte bestaat voor beslissingen dan wel concretisering op een aantal punten; één van die punten is de eis van ‘vakmanschap blijkend uit een recente beoordeling boven de norm met daarin opgenomen de verwachte geschiktheid voor [naam functie C]’.
De korpsleiding en de ondernemingsraad van de politieregio [politieregio] hebben, voor zover hier van belang, tijdens een overleg op 15 december 2011 uitgesproken dat de bevordering van [naam functie B] naar [naam functie C] is bedoeld voor politieambtenaren die zeer goed functioneren. De korpsleiding heeft besloten dat tot bevordering wordt overgegaan indien sprake is van een “uitstekende” beoordeling en de teamchef positief adviseert over de geschiktheid voor [naam functie C]. Om aan de bezwaren van de ondernemingsraad tegemoet te komen, is een commissie ingesteld die in het kader van toepassing van een hardheidsclausule heeft geadviseerd over de geschiktheid van 86 politieambtenaren met een “goede” beoordeling die tegen “uitstekend” aan zitten. De verzoeken van deze ambtenaren om door te stromen zijn onder meer beoordeeld op het criterium dat op beide competenties besluitvaardigheid en samenwerken minimaal eenmaal een 3 moet zijn gescoord en op de tweede competentie niet lager dan 2 mag zijn gescoord.
Appellanten hebben in 2012 verzocht om bevordering naar de functie van [naam functie C], schaal 8. In het kader van die verzoeken zijn beoordelingen vastgesteld waarin het functioneren van appellanten is beoordeeld als “goed”.
Bij besluiten van 28 februari 2013 heeft de korpschef op de verzoeken om bevordering afwijzend beslist op de grond dat appellanten niet beschikken over een beoordeling boven de norm en de verzoeken van appellanten niet worden ondersteund door een positief advies van hun leidinggevenden. Op 9 januari 2014 hebben appellanten beroepen ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op hun bezwaar. Deze beroepen zijn bij brief van 2 september 2014 ingetrokken.
Bij besluiten van 30 januari 2014 (bestreden besluiten) heeft de korpschef de bezwaren ongegrond verklaard onder handhaving van de besluiten van 28 februari 2013 en heeft daaraan adviezen van de leidinggevenden ten grondslag gelegd waaruit volgt dat appellanten niet beschikken over de verwachte geschiktheid voor [naam functie C].
Appellanten hebben tegen de adviezen over hun verwachte geschiktheid rechtstreeks beroep ingesteld.
2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank - voor zover thans van belang - de rechtstreekse beroepen niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat de adviezen geen zelfstandig besluit maar een voorbereidingshandeling zijn als bedoeld in artikel 6:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft de beroepen voor het overige ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat de korpschef de bevoegdheid toekomt het begrip “boven de norm” nader uit te leggen, maar de daaraan door de korpschef gegeven uitleg niet juist is, zodat de bestreden besluiten een deugdelijke grondslag ontberen. Deze besluiten zijn vervolgens in stand gelaten omdat de korpschef, los van de vraag of sprake is van een beoordeling boven de norm, in de negatieve adviezen van de leidinggevenden over de verwachte geschiktheid aanleiding heeft mogen zien de weigering van doorstroming te handhaven.
3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De incidentele hoger beroepen van de korpschef
Het betoog van de korpschef dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij een onjuiste uitleg heeft gegeven aan de term “boven de norm” slaagt. Met verwijzing naar de uitspraken van 30 juli 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:2551 en ECLI:NL:CRVB:2015:2552) is de korpschef met de keuze om het begrip “boven de norm” zo in te vullen dat alleen diegenen met het beoordelingsresultaat “uitstekend” dan wel “tegen uitstekend aan” voor bevordering in aanmerking komen én over een positief advies over hun verwachte geschiktheid beschikken, gebleven binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling. De aangevallen uitspraken dienen dus in zoverre te worden vernietigd.
De hoger beroepen van appellanten 3.2. Uit 3.1 volgt dat appellanten gelet op hun “goede” beoordelingen - die in rechte
vaststaan - reeds om die reden niet in aanmerking komen voor bevordering op grond van het loopbaanbeleid. In tegenstelling tot wat appellanten hebben aangevoerd, ziet de Raad in een intern stuk van de korpschef geen wijziging van zijn vaste gedragslijn in die zin dat thans een “goede” beoordeling in combinatie met een positief advies over de verwachte geschiktheid tot het voldoen aan de criteria voor bevordering zou leiden. Zoals de korpschef ter zitting helder uiteen heeft gezet, slaat de passage in dat interne stuk op een aantal uitspraken van de rechtbank Overijssel waarin, net als in de aangevallen uitspraken, is geoordeeld dat een “goede” beoordeling als een beoordeling “boven de norm” dient te worden gezien. De korpschef heeft aangegeven dat die uitspraken in lopende zaken door hem slechts worden gevolgd onder voorbehoud van de uitkomst van het daartegen ingestelde hoger beroep.
Het betoog van appellanten dat de korpschef in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld door binnen de voormalige politieregio [politieregio] generalisten met een “uitstekende” beoordeling - bij wie de verwachte geschiktheid is verondersteld - te bevorderen slaagt niet. Nu appellanten niet beschikken over een “uitstekende” beoordeling, is er geen sprake van gelijke gevallen die door de korpschef ongelijk zijn behandeld. Evenmin ziet de Raad aanleiding voor het oordeel dat appellanten het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is ontnomen.
Anders dan appellanten betogen is het advies van de leidinggevende over de verwachte geschiktheid geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het hier gaat om een voorbereidingshandeling, zodat het daartegen gerichte rechtstreekse beroep niet-ontvankelijk is. De verwijzing naar de uitspraak van 8 maart 2001 (ECLI:NL:CRVB:2001:AB0937) kan niet tot een ander oordeel leiden, nu het daarin ging om een toekomstverwachting die op zichzelf stond.
Met de rechtbank en anders dan appellanten is de Raad van oordeel dat de korpschef geen invulling en uitleg van het begrip verwachte geschiktheid heeft gegeven die in strijd zou zijn met het loopbaanbeleid. Net als in voornoemde uitspraken van 30 juli 2015 komt de korpschef de bevoegdheid toe ook dit begrip nader in te vullen. De korpschef heeft voor het vaststellen van de verwachte geschiktheid van belang mogen achten dat de medewerker gedurende de beoordelingsperiode een coördinerende/aansturende en een initiërende rol in de praktijk heeft laten zien. Verwezen wordt naar de uitspraak van 24 september 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:3226).
Aan de grond dat de rechtbank heeft verzuimd een proceskostenveroordeling uit te spreken ten aanzien van de door appellanten ingestelde beroepen op niet tijdig beslissen komt de Raad niet toe, nu appellanten die beroepen hebben ingetrokken voordat de rechtbank uitspraak heeft gedaan.
De conclusie is dat de besluiten van de korpschef om de bevordering af te wijzen in rechte stand houden. In hetgeen overigens door appellanten is aangevoerd, ziet de Raad geen grond om tot een ander oordeel te komen.
Uit 3.2 tot en met 3.7 volgt dat de hoger beroepen van appellanten niet slagen, zodat de aangevallen uitspraken, zij het met verbetering van de gronden, zoals onder 3.1 is overwogen, dienen te worden bevestigd.
4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en M.T. Boerlage en
W. van den Brink als leden, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2016.
(getekend) A. Beuker-Tilstra
(getekend) S.W. Munneke
HD
Lijst van appellanten:
Procedurenummer Appellant Woonplaats
1. AW, 15/2015 AW [Appellant 1] [woonplaats 1]
2. 15/51 AW, 15/2016 AW [Appellant 2] [woonplaats 2]3. 15/52 AW, 15/2017 AW [Appellant 3] [woonplaats 3]4. 15/54 AW, 15/2018 AW [Appellant 4] [woonplaats 4]