OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellant is eigenaar van een kajuitzeiljacht (schip) dat op 17 april 2014 is getaxeerd op een dagwaarde van € 0,-. Uit het taxatierapport volgt dat in het schip geen gebruik kan worden gemaakt van elementaire voorzieningen zoals water en een douche. Verder is er geen elektriciteit en voldoet de gasvoorziening niet aan de daarvoor gestelde veiligheidseisen.
Bij besluit van 2 mei 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 18 november 2014 (bestreden besluit), heeft het college aan appellant bijstand verleend met ingang van
16 december 2013 naar de norm van een alleenstaande op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college heeft appellant geen woonkostentoeslag toegekend. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat het schip van appellant, waarop hij verblijft, geen woning is in de zin van de WWB.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna weergegeven gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
In artikel 3, zesde lid, van de WWB is bepaald dat in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder een woning mede wordt verstaan een woonwagen of woonschip.
Ingevolge artikel 27 van de WWB, volgens de tekst ten tijde van belang, kan het college de norm, bedoeld in de artikelen 20 en 21, of de toeslag, bedoeld in artikel 25, lager vaststellen, voor zover de belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm of de toeslag voorziet als gevolg van zijn woonsituatie, waaronder het niet aanhouden van een woning.
Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, in verbinding met artikel 30, eerste lid, van de WWB, volgens de tekst ten tijde van belang, stelt de gemeenteraad vast voor welke categorieën de norm wordt verhoogd of verlaagd en op grond van welke criteria de hoogte van die verhoging of verlaging wordt bepaald. Ten tijde van belang was de Toeslagenverordening WWB 2011 van de gemeente Leiden (Verordening) van kracht.
In artikel 5 van de Verordening is bepaald dat de verlaging als bedoeld in artikel 27 van de WWB 20% van de gehuwdennorm bedraagt als: a. een woning wordt bewoond waaraan voor de alleenstaande of alleenstaande ouder geen woonkosten verbonden zijn; b. de belanghebbende geen woning aanhoudt.
Niet in geding is dat het schip van appellant geen zelfstandige woning is waardoor dit schip niet kan worden aangemerkt als een woning in de zin van de WWB. Uit artikel 5, aanhef en onder b, van de Verordening volgt dat dan geen woonkostentoeslag wordt verleend. Appellant heeft aangevoerd dat sprake is van “gedwongen zelfstandig wonen in alternatieve c.q. weekendbehuizing met andere en in totaal evenveel kosten”. De rechtbank heeft echter geoordeeld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten tijde in geding woonkosten had en dit oordeel is in hoger beroep onbestreden. Uit artikel 5, aanhef en
onder a, van de Verordening volgt dat appellant ook om die reden geen recht heeft op een woonkostentoeslag. Dat appellant in verband hiermee andere kosten moet maken, doet hieraan niet af. De Verordening biedt geen ruimte om in die situatie een woonkostentoeslag te verlenen.
Uit 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigd de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2016.
(getekend) O.L.H.W.I. Korte
(getekend) A. Mansourova