OVERWEGINGEN
Bij besluit van 13 november 2012 heeft het college appellant met ingang van 1 januari 2013 voor een periode van twee jaar en voor 32 uur per week aangesteld in de functie van [functie 1] . Met zijn brief van
20 november 2012 heeft appellant de aanstellingsvoorwaarden aanvaard.
Bij brief van 4 juni 2013 heeft appellant, voor zover thans van belang, het college verzocht om terug te komen van het besluit van 13 november 2012, omdat zijn aanstellingsomvang naar zijn mening ten minste 1,61 fte had moeten bedragen. Hij heeft zich daarbij, samengevat, op het standpunt gesteld dat hij in zijn nieuwe functie van [functie 1] het volledige takenpakket heeft overgenomen van zowel de voormalig [functie 1] als de voormalig [functie 2] .
Bij besluit van 27 mei 2014 (bestreden besluit 1) heeft het college het verzoek afgewezen. Daaraan ligt ten grondslag dat er geen reden is terug te komen van de beslissing om een vacature open te stellen voor 32 uur en dat het aan het college is de omvang van de formatie te bepalen en de prioriteiten vast te stellen. Appellant heeft tegen bestreden besluit 1 rechtstreeks beroep ingesteld bij de rechtbank.
In het kader van de invoering van het nieuwe functiebeschrijvings- en waarderingssysteem HR21 heeft het college op 1 april 2014 beslissingen genomen ten aanzien van het eindadvies van de indelingscommissie met betrekking tot de toetsing van de indeling van de geactualiseerde functiebeschrijvingen naar norm- en/of lokale functiebeschrijvingen in het HR21-systeem en op 1 juli 2014 ingestemd met het advies van de plaatsingscommissie en de plaatsingslijst in principe vastgesteld. De hiertegen door appellant gemaakte bezwaren zijn bij besluit van 6 november 2014 (bestreden besluit 2) onderscheidenlijk besluit van
25 november 2014 (bestreden besluit 3) niet-ontvankelijk verklaard.
Het tijdelijk dienstverband van appellant is met ingang van 1 januari 2015 geëindigd. Appellant is vanaf 1 september 2014 tot 1 januari 2015 vrijgesteld geweest van werkzaamheden met behoud van bezoldiging.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Appellant heeft ter zitting van de Raad desgevraagd verklaard dat zijn hoger beroep gericht is op het verkrijgen van schadevergoeding tot een bedrag van € 84.154,-. Aan deze, ook reeds bij de rechtbank ingebrachte, claim ligt de stelling van appellant ten grondslag dat hij van 1 januari 2013 tot 1 september 2014 in het kader van zijn functie van [functie 1] en binnen de urenomvang van die functie, het volledige takenpakket heeft vervuld van zowel de voormalig [functie 1] (36 uur per week, S10) als de voormalig [functie 2] (32 uur per week, S9). Appellant heeft het bedrag van
€ 84.154,- berekend uitgaande van twintig maanden salaris op basis van S10 en een 36-urige werkweek.
Het college heeft primair gesteld dat het hoger beroep van appellant niet-ontvankelijk moet worden verklaard op de grond dat appellant geen enkel rechtens relevant belang heeft bij zijn hoger beroep. De Raad ziet, gelet op 3.1, echter geen grond voor het oordeel dat appellant geen rechtens relevant belang heeft bij de beoordeling van zijn hoger beroep ten aanzien van bestreden besluit 1.
De Raad stelt vast dat de onder 3.1 bedoelde stelling van appellant op geen enkele wijze de rechtmatigheid van het aanstellingsbesluit kan aantasten, zodat het college reeds hierom mocht weigeren om terug te komen van het aanstellingsbesluit. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak, voor zover die betrekking heeft op de ongegrondverklaring van het beroep tegen bestreden besluit 1 en de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding, dient te worden bevestigd.
Nu de beoordeling van het hoger beroep ten aanzien van de bestreden besluiten 2 en 3 niet kan leiden tot wat appellant blijkens 3.1 met zijn hoger beroep beoogt, zal de Raad het hoger beroep voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.
4. Voor een veroordeling in de proceskosten van appellant, zoals door het college bepleit, ziet de Raad geen aanleiding. Er is onvoldoende grond om te oordelen dat sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover die strekt tot de ongegrondverklaring van het
beroep tegen het besluit van 27 mei 2014 en de afwijzing van het verzoek om
schadevergoeding;- verklaart het hoger beroep voor het overige niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en E.J.M. Heijs en H. Lagas als leden, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2016.
(getekend) B.J. van de Griend
(getekend) L.V. van Donk