ECLI:NL:CRVB:2017:1280

ECLI:NL:CRVB:2017:1280, Centrale Raad van Beroep, 29-03-2017, 14/2162 WSF

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 29-03-2017
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 14/2162 WSF
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 3 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537

Samenvatting

Deze uitspraak is gerectificeerd met ECLI:NL:CRVB:2017:3180. De gerectificeerde tekst is opgenomen in ECLI:NL:CRVB:2017:3181, onderstaande tekst is niet meer geldig.

Uitspraak

OVERWEGINGEN

De minister heeft appellanten met ingang van 1 september 2012 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) toegekend, berekend naar de norm die geldt voor uitwonende studerenden.

Op 6 december 2012 hebben twee controleurs in opdracht van de minister onderzoek gedaan naar de woonsituatie van appellanten. Daartoe is – onder meer – een huisbezoek afgelegd op het adres waaronder appellanten op dat moment in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (gba) stonden ingeschreven om te controleren of zij op dit adres wonen. Van het onderzoek is op 6 december 2012 een rapport opgemaakt.

De minister heeft, voor zover hier van belang, op basis van het onder 1.2 genoemde rapport bij besluiten van 11 januari 2013 de aan appellant en appellante 1 toegekende studiefinanciering vanaf 1 oktober 2012 herzien, in die zin dat zij vanaf die datum als thuiswonende studerenden zijn aangemerkt. Appellante 2 is bij besluit van diezelfde datum vanaf 1 september 2012 als thuiswonende studerende aangemerkt. Het aan appellanten tot en met december 2012 volgens de minister te veel betaalde bedrag is daarbij van hen teruggevorderd.

De minister heeft het tegen de besluiten van 11 januari 2013 gemaakte bezwaar bij besluiten van 24 april 2013 (bestreden besluiten) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellanten tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad oordeelt als volgt.

Ingevolge artikel 9.1a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wsf 2000 zijn met het toezicht op de naleving van artikel 1.5 van de Wsf 2000 belast de bij besluit van de minister aangewezen ambtenaren of andere personen. Bij besluit van 19 april 2012, nr. HO&S/399254, zijn voor dit toezicht – onder meer – aangewezen personen werkzaam bij [naam B.V.] B.V.

In zijn uitspraak van 4 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2, heeft de Raad geoordeeld dat onder deze aanwijzing niet ook personen vallen die werkzaam zijn bij de werkmaatschappijen van [naam B.V.] B.V.

Het onder 1.2 vermelde onderzoek is verricht door [naam S.] en [naam B.]. Het is de Raad ambtshalve bekend dat deze controleurs ten tijde van het onderzoek niet werkzaam waren bij [naam B.V.] B.V., maar bij een van haar werkmaatschappijen, zodat zij niet voor het toezicht bedoeld in artikel 1.5 van de Wsf 2000 waren aangewezen.

Nu genoemde controleurs ook niet uit andere hoofde bevoegd waren tot het houden van dat toezicht, is het door hen bij het onderzoek verzamelde bewijs onrechtmatig verkregen en moet dat, zoals ook volgt uit de onder 4.2 genoemde uitspraak, worden uitgesloten.

Aangezien zonder de bevindingen van het onderzoek niet een voldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van de minister dat appellanten niet wonen op het adres waaronder zij staan ingeschreven in de gba, berusten de bestreden besluiten niet op een deugdelijke motivering.

Nu de rechtbank het motiveringsgebrek niet heeft onderkend, komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen de bestreden besluiten gegrond verklaren en die besluiten vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Raad ziet tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb de besluiten van 11 januari 2013 te herroepen, nu daaraan hetzelfde gebrek kleeft en, gelet op het tijdsverloop, niet aannemelijk is dat dit gebrek kan worden hersteld.

5. Aanleiding bestaat de minister te veroordelen in de proceskosten van appellanten. Deze kosten worden begroot op € 990,- in beroep en op € 990,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 1.980,-. Van andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2017.

(getekend) J. Brand

(getekend) J.W.L. van der Loo

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?