Datum uitspraak: 26 april 2017
16/1957 WMO-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 februari 2016, 15/5670 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
de erven van [betrokkene] te [woonplaats] (appellanten)
het college van burgemeester en wethouders van Leiden (college)
PROCESVERLOOP
Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 28 september 2016 heeft de Raad het door [X.] namens appellanten ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Namens appellanten heeft [X.] verzet gedaan.
Het verzet is behandeld ter zitting van 20 maart 2017. Namens appellanten is verschenen [X.]. Het college is niet verschenen.
OVERWEGINGEN
De uitspraak van de Raad van 28 september 2016 berust op de overwegingen dat het hogerberoepschrift niet tijdig is ingediend, en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellanten niet in verzuim zijn geweest.
Appellanten hebben zich in verzet op het standpunt gesteld dat het hogerberoepschrift wel tijdig is ingediend.
De aangevallen uitspraak is verzonden op 8 februari 2016. Het hogerberoepschrift is digitaal ingediend op 26 maart 2016. Zoals reeds vele malen is geoordeeld, bedraagt de in de Awb neergelegde hogerberoepstermijn zes weken (42 dagen). Het hogerberoepschrift is dus te laat ingediend.
Zoals de Raad reeds heeft geoordeeld in zijn uitspraak van 24 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3122, volgt hij de berekeningswijze van de hogerberoepstermijn die appellanten voorstaan, niet. De Raad ziet in hetgeen appellanten in onderhavige procedure hebben aangevoerd geen grond om tot een ander oordeel te komen dan in zijn uitspraak van 24 september 2014.
De omstandigheden dat de Awb geen definitie bevat van het begrip week en dat in artikel 4:17 van de Awb wordt gesproken van een termijn van 42 dagen, maakt – anders dan appellanten betogen – niet dat sprake is van onduidelijkheid over de berekeningswijze van de hoger beroepstermijn. Een week heeft zeven dagen, zodat buiten twijfel staat dat de wettelijke hoger beroepstermijn zes weken en dus 42 dagen bedraagt.
Nog daargelaten of appellanten zich kunnen beroepen op Richtlijn 80/181/EEG zoals gewijzigd bij Richtlijn 2009/3/EG, geldt dat geen sprake is van strijd met Richtlijn 80/181/EEG en de Metrologiewet. Deze voorschriften staan er niet aan in de weg dat de in de Awb gehanteerde hoger beroepstermijn zes weken (en dus 42 dagen) bedraagt.
Van strijd met artikel 7 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden kan evenmin sprake zijn, omdat de nu voorliggende procedure geen betrekking heeft op een “criminal offence” als bedoeld in deze bepaling.
Ook hetgeen appellanten overigens hebben aangevoerd, leidt de Raad niet tot een ander oordeel.
Het verzet is ongegrond.
Voor een veroordeling in de proceskosten van het verzet is geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door N.R. Docter, in tegenwoordigheid van N. van Rooijen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 april 2017.
(getekend) N.R. Docter
(getekend) N. van Rooijen
GdJ