OVERWEGINGEN
Verzoeker ontvangt vanaf 22 oktober 2014 bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande.
Bij besluit van 28 december 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 15 februari 2016, heeft het dagelijks bestuur de bijstand van verzoeker herzien over de periode van
22 oktober 2014 tot en met 30 november 2015. Tevens heeft het dagelijks bestuur aangekondigd vanaf 1 december 2015 het bedrag dat verzoeker ten minste wekelijks ontvangt van zijn ouders, berekend op € 217,- per maand, op zijn bijstand in mindering te brengen. Het dagelijks bestuur heeft aan deze besluitvorming ten grondslag gelegd dat dit bedrag moet worden aangemerkt als middelen.
Bij uitspraak van 23 februari 2016, 16/61, 16/1213 en 16/1214, heeft de rechtbank Gelderland, voor zover hier van belang, het beroep tegen het besluit van 15 februari 2016, ongegrond verklaard.
Bij de uitspraak van 2 juni 2016, waarvan herziening wordt gevraagd, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Hiertoe heeft de Raad geoordeeld dat de periodieke betalingen van de familieleden van verzoeker, waarover verzoeker vrijelijk kon beschikken, terecht als inkomen zijn aangemerkt.
2. Verzoeker heeft ter onderbouwing van zijn verzoek naar voren gebracht dat in hoger beroep niet volledig en niet op juiste wijze is gereageerd op zijn gronden. Hiervoor heeft verzoeker verwezen naar de in hoger beroep ingediende gronden. Voorts heeft verzoeker gronden ingediend die zien op een tussen partijen bestaand geschil betreffende een aanvraag om bijzondere bijstand voor woonkosten.
3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
Wat verzoeker heeft aangevoerd is in essentie een herhaling van wat door hem in de aan de uitspraak voorafgegane procedures en in het geding dat tot die uitspraak heeft geleid naar voren is gebracht. Verzoeker beoogt in feite de juistheid van de uitspraak van 2 juni 2016 alsnog te betwisten. Naar vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van 13 januari 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AS3516) is het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening niet gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als hiervoor bedoeld, een hernieuwde discussie te voeren over de betrokken zaak en evenmin om een discussie over de betrokken uitspraak te openen.
Uit wat onder 3.1 en 3.2 is overwogen vloeit voort dat het verzoek om herziening moet worden afgewezen.
De gronden die verzoeker heeft aangevoerd met betrekking tot het besluit van het dagelijks bestuur van 24 augustus 2016, strekkende tot afwijzing van zijn verzoek om bijzondere bijstand voor woonkosten, kunnen niet worden betrokken in onderhavige procedure. Verzoeker heeft op 26 augustus 2016 bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Zoals ter zitting door het dagelijks bestuur nader toegelicht, zal op korte termijn een besluit op bezwaar worden genomen waartegen beroep openstaat.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2017.
(getekend) G.M.G. Hink
(getekend) J. Tuit