OVERWEGINGEN
Appellant, geboren in 1924, heeft in september 2012 een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor onder meer een periodieke uitkering. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen bij besluit van 18 maart 2013 en dat besluit, na bezwaar, gehandhaafd bij besluit van 12 september 2013 op de grond dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan onwaardig gedrag. Het tegen het besluit van 12 september 2013 ingestelde beroep is door de Raad bij uitspraak van 30 april 2015, 13/6027 WUBO, ongegrond verklaard. De Raad is met verweerder van oordeel dat, gezien het karakter van en de ideologie achter de politieopleiding in Schalkhaar, het volgen en voltooien van die opleiding uit Nederlands nationaal oogpunt moet worden aangemerkt als onwaardig gedrag in de zin van de Wubo. Overwogen is dat het in het kader van de Wubo, gezien de bijzondere solidariteit ten opzichte van degene voor wie de Wubo is bedoeld, niet verantwoord is om degenen die deel hebben uitgemaakt van het nationaal-socialistisch apparaat, toe te laten tot de Wubo samen met degenen die nu juist daaronder hebben geleden.
In juni 2015 heeft appellant verzocht deze afwijzing te herzien. Verweerder heeft dat verzoek afgewezen bij besluit van 23 december 2015 op de grond dat appellant geen nieuwe feiten of gegevens heeft vermeld die aanleiding geven de eerdere afwijzing te herzien. Het hiertegen gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.
2. Naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd komt de Raad tot de volgende beoordeling.
Op grond van artikel 61, derde lid, van de Wubo is verweerder bevoegd op een daartoe door de belanghebbende gedane aanvraag een door hem gegeven beschikking in het voordeel van de bij die beschikking betrokkene te herzien. Gelet op het karakter van deze discretionaire bevoegdheid, kan de Raad het bestreden besluit slechts met terughoudendheid toetsen. Daarbij staat de vraag centraal of nieuwe feiten of gegevens naar voren zijn gekomen die tot een andere beslissing zouden moeten leiden.
Zulke feiten of gegevens zijn niet naar voren gekomen. Zoals ook in de onder 1.1 genoemde uitspraak tot uitdrukking is gebracht, brengt het als onwaardig kwalificeren van een gedraging mee dat een nadien uitgedragen anti-NSB-houding geen verandering kan brengen in het vertoond, onwaardig, gedrag. Dat betekent dat hetgeen appellant na de politieopleiding in Schalkhaar heeft meegemaakt of heeft uitgedragen niet meer relevant kan zijn en bij de beoordeling van de aanvraag of herzieningsverzoeken buiten beschouwing moet worden gelaten.
Het besluit van verweerder om niet tot herziening over te gaan kan de terughoudende toets van de Raad doorstaan. Het beroep moet daarom ongegrond worden verklaard.
3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2017.
(getekend) C.H. Bangma
(getekend) L.V. van Donk