OVERWEGINGEN
1. Bij de genoemde uitspraak van de Raad is beslist op de beroepen van verzoeker tegen de besluiten van verweerder van 4 december 2015, waarbij afwijzend is beslist op de gevraagde toekenningen op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv) respectievelijk de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). De afwijzing in het kader van de Wuv is gestoeld op de overweging dat bij verzoeker geen ziekten of gebreken zijn geconstateerd waarvan kan worden aangenomen dat deze in verband staan met de ondergane vervolging. De afwijzing in het kader van de Wubo is gebaseerd op de grond dat bij verzoeker geen sprake is van blijvend psychisch of lichamelijk letsel dat gerelateerd kan worden aan het aanvaarde oorlogsgeweld. De Raad heeft de afwijzingen niet voor onjuist kunnen houden.
2. Verzoeker stelt dat hij nog steeds onder behandeling is voor bepaalde klachten en verwijst daarvoor naar een verklaring van de huisarts G.J. van Vliet. Deze huisarts stelt dat bij verzoeker sprake is van een toename van psychische en lichamelijke klachten en dat deze klachten een verband lijken te hebben met het traumatische oorlogsverleden.
3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Ingevolge artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de bestuursrechter op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
Volgens vaste rechtspraak (zie onder meer de uitspraak van 12 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3963) is het bijzondere rechtsmiddel van herziening niet gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als bedoeld in
artikel 8:119 van de Awb, een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te openen of om de daarin gedane uitspraak ter discussie te stellen.
In hetgeen namens verzoeker is aangevoerd heeft de Raad geen feiten of omstandigheden aangetroffen die voldoen aan de drie in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb omschreven voorwaarden. De overgelegde verklaring van de huisarts dateert van ná de uitspraak en geeft geen blijk van omstandigheden als in genoemde bepaling bedoeld. Het verzoek om herziening kan daarom niet slagen.
Uit het voorgaande volgt dat het verzoek om herziening moet worden afgewezen.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 december 2016.
(getekend) B.J. van de Griend
(getekend) P.W.J. Hospel