OVERWEGINGEN
1. Artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Blijkens de memorie van toelichting bij artikel 8:15 van de Awb is de ratio van het instituut van wraking gelegen in het waken tegen inbreuken op de rechterlijke onpartijdigheid.
2. Verzoekster heeft aan het wrakingsverzoek ten grondslag gelegd dat zij erg ziek is en dat niemand zich verantwoordelijk voelt voor de zorg die zij nodig heeft. De rechtspraak moet zorgen dat dit stopt, maar doet dat niet en faalt om die reden in alle opzichten.
3. Een wrakingsgrond moet zijn gelegen in feiten of omstandigheden die betrekking hebben op (de persoon van) de rechter die de zaak behandelt. Bij een beoordeling van een beroep op het ontbreken van de onpartijdigheid van de rechter dient voorts het uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing vormt voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is (zie onder meer het arrest van de Hoge Raad van 21 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9141).
4. In wat verzoekster heeft aangevoerd is geen grond gelegen om het wrakingsverzoek toe te wijzen. Dat verzoekster teleurgesteld is in de uitspraak van 15 februari 2017 en dat verzoekster de indruk heeft dat haar gezondheidsklachten niet worden gerespecteerd door de behandelend rechters, betekent niet dat de behandelend rechters bij de behandeling van het herzieningsverzoek vooringenomen zijn of dat de angst daarvoor bij verzoekster objectief gerechtvaardigd zou zijn. Nu verzoekster verder geen op de persoon van de behandelend rechters toegesneden argumenten heeft aangevoerd waaruit de gegronde vrees voor vooringenomenheid kan worden afgeleid, moet het wrakingsverzoek worden afgewezen.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om wraking af.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en W.H. Bel en E.W. Akkerman als leden, in tegenwoordigheid van J. Smolders als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2017.
(getekend) E.J.M. Heijs
(getekend) J. Smolders