ECLI:NL:CRVB:2018:1556

ECLI:NL:CRVB:2018:1556, Centrale Raad van Beroep, 17-05-2018, 17/6205 AW

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 17-05-2018
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 17/6205 AW
Rechtsgebied Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 3 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001950

Samenvatting

Afwijzing verzoek om herziening. Verzoekster heeft aan haar verzoek om herziening van de uitspraak slechts argumenten ten grondslag gelegd die ertoe strekken op inhoudelijke gronden de juistheid van de uitspraak in twijfel te trekken. Daarbij heeft verzoekster geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht die vóór die uitspraak hebben plaatsgevonden en die haar vóór die uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs ook niet bekend konden zijn.

Uitspraak

17. 6205 AW

Datum uitspraak: 17 mei 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 17 oktober 2013, 12/906 AW en 12/907 AW

Partijen:

[verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)

de Minister van Justitie en Veiligheid (minister)

PROCESVERLOOP

Verzoekster heeft verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 17 oktober 2013, 12/906 AW en 12/907 AW, ECLI:NL:CRVB:2013:2185.

De minister heeft een reactie op het verzoek ingezonden.

Verzoekster heeft hierop gereageerd en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2018. Verzoekster is in persoon verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.M. Koene en

P.C.A. van Breugel.

OVERWEGINGEN

Verzoekster was sinds 2000 werkzaam bij de Penitentiaire Inrichting [penitentiaire inrichting]

, laatstelijk als [functie] . Verzoekster is op 26 mei 2005 tijdens de verplichte dienstsport (basketballen) ongelukkig in aanraking gekomen met een collega en heeft daarbij letsel aan haar linkerknie opgelopen. De minister heeft dit ongeval aangemerkt als een dienstongeval.

Bij besluit van 25 mei 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 16 december 2010,

heeft de minister geweigerd aansprakelijkheid te erkennen voor de ten gevolge van het

onder 1.1 genoemde dienstongeval door verzoekster geleden schade en de gevraagde schadevergoeding afgewezen.

Bij besluit van 4 oktober 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 28 april 2011, heeft de minister verzoekster op grond van artikel 69, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) een bedrag van € 10.000,- (bruto) toegekend, bij wijze van genoegdoening voor de eventueel uit haar re-integratietraject voortgevloeide schade. De minister heeft daaraan ten grondslag gelegd dat blijkens het rapport van de Nationale ombudsman van 7 september 2009 (nr. 2009/186) sprake is geweest van enkele tekortkomingen in het re-integratietraject. Voor het overige heeft de minister de door verzoekster gevraagde (schade)vergoeding afgewezen.

Bij uitspraak van 5 januari 2012, 11/258 en 11/1829 (ECLI:NL:RBSHE:2012:BV0949), heeft de rechtbank ’s-Hertogenbosch (rechtbank) de beroepen tegen de besluiten van

16 december 2010 en van 28 april 2011 ongegrond verklaard.

Bij de uitspraak van 17 oktober 2013, waarvan nu herziening wordt gevraagd, heeft

de Raad, voor zover hier van belang, de uitspraak van de rechtbank bevestigd voor zover deze betrekking heeft op het besluit van 16 december 2010. De Raad heeft de uitspraak van de rechtbank vernietigd voor zover de rechtbank het besluit van 28 april 2011 in stand heeft gelaten voor het deel dat ziet op de weigering om de buitengerechtelijke kosten te vergoeden, aan verzoekster een vergoeding ter zake van de buitengerechtelijke kosten toegekend ten bedrage van € 1.000,-, het besluit van 4 oktober 2010 in zoverre herroepen en bepaald dat

de uitspraak van de Raad in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van

28 april 2011.

De Raad heeft wat het besluit van 16 december 2010 betreft (aansprakelijkheid dienstongeval) met de rechtbank geoordeeld dat de minister aan de op hem, als werkgever, rustende zorgplicht heeft voldaan. Niet in geschil is dat in dit geval geen sprake was van gebreken in het spelmateriaal of de sportzaal die het ongeval zouden hebben kunnen veroorzaken. Verder is van betekenis dat de minister gebruik heeft gemaakt van de diensten van een gekwalificeerde sportinstructeur, terwijl niet is gebleken of aannemelijk geworden

dat deze instructeur daarbij fouten heeft gemaakt. De Raad is, evenals de rechtbank, tot de conclusie gekomen dat in het geval van verzoekster veeleer sprake is geweest van een ongelukkige samenloop van omstandigheden, terwijl niet aannemelijk is gemaakt dat de minister is tekortgeschoten in zijn verplichtingen uit hoofde van zijn zorgplicht. Wat het besluit van 28 april 2011 betreft (tegemoetkoming naar billijkheid), voor zover hier van belang, heeft de Raad ten aanzien van de door verzoekster gestelde immateriële schade geoordeeld dat de minister verzoekster met de geboden compensatie ten bedrage van

€ 10.000,- (bruto) in verband met de door de Nationale ombudsman geconstateerde tekortkomingen zeker niet tekort heeft gedaan.

2. Aan haar verzoek om herziening heeft verzoekster ten grondslag gelegd dat de minister wel aansprakelijk is voor het dienstongeval omdat hij zijn zorgplicht heeft geschonden. Voorafgaand aan het ongeval was de minister op de hoogte van een eerdere operatie aan verzoeksters knie en de daaruit voortkomende beperkingen, maar hij bleek nalatig door ter zake de verplicht gestelde dienstsport geen medisch advies in te winnen of maatregelen te treffen om schade te voorkomen. Zij heeft zich daarbij beroepen op stukken die de minister aan haar heeft doen toekomen in 2012, alsmede op een verklaring van de tijdens het ongeval aanwezige sportinstructeur van 1 maart 2018. Ook heeft zij in dit verband naar voren gebracht dat in de eerdere procedure ten onrechte van de minister is aangenomen dat de sportzaal en spelmaterialen in orde waren, zonder dat de minister daarvoor het bewijs heeft geleverd.

Over de aan haar toegekende compensatie heeft zij naar voren gebracht dat de minister niet alleen is tekortgeschoten in de re-integratieprocedure, maar dat hij ook aansprakelijk is voor het verbreken van de geheimhoudingsplicht door informatie over haar psychische situatie aan haar toenmalige partner, collega’s en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) te verstrekken terwijl hiervoor geen grond aanwezig was; haar geestelijke situatie was niet zo ernstig als de minister die in de oorspronkelijke procedure heeft voorgespiegeld. Verzoekster heeft daartoe gewezen op een politiemutatie van 16 juli 2006 en een verklaring van haar psycholoog van 25 februari 2018. Tot slot heeft verzoekster aangevoerd dat de minister destijds alle stukken met onjuiste (medische) informatie naar het Uwv heeft gezonden. Omdat het Uwv deze informatie ook in haar huidige ziektesituatie meeneemt, is het mogelijk dat zij hierdoor schade zal lijden.

De minister heeft in zijn reactie op het herzieningsverzoek geconcludeerd dat dit moet worden afgewezen.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die: a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak, b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 7 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR2506) is het bijzondere rechtsmiddel van herziening niet gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als hiervoor bedoeld, een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren en evenmin om een discussie over de betrokken uitspraak te openen.

Verzoekster heeft aan haar verzoek om herziening van de uitspraak slechts argumenten ten grondslag gelegd die ertoe strekken op inhoudelijke gronden de juistheid van de uitspraak in twijfel te trekken. Daarbij heeft verzoekster geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht die vóór die uitspraak hebben plaatsgevonden en die haar vóór die uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs ook niet bekend konden zijn.

Voor zover het de zorgplicht van de minister betreft heeft verzoekster aangegeven dat zij in 2012 over de door haar relevant geachte stukken beschikte. Deze documenten waren haar dus reeds tijdens de oorspronkelijke procedure bekend. Wat betreft de op 1 maart 2018 gedateerde verklaring van de sportinstructeur die tijdens het ongeval in 2005 aanwezig was, volgt uit het dossier dat verzoekster deze verklaring in februari 2018 heeft opgevraagd. De Raad ziet niet in, en verzoekster heeft dit evenmin onderbouwd, waarom zij dit stuk, indien zij daarom eerder zou hebben verzocht, niet in de eerdere procedure heeft kunnen overleggen. In die situatie kan niet worden gezegd dat dit stuk verzoekster vóór de uitspraak van de Raad redelijkerwijs niet bekend kon zijn.

Ook wat verzoekster heeft aangevoerd over haar geestelijke gezondheidssituatie destijds kan niet tot het door haar gewenste resultaat leiden. Met de verklaring van haar psycholoog van 25 februari 2018 is evenmin voldaan aan het gestelde onder artikel 8:119, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb. De verklaring ziet op een periode van behandeling van verzoekster die eindigde in 2009 en zij heeft niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd dat het haar niet mogelijk was deze verklaring in de eerdere procedure te verkrijgen en naar voren te brengen. Dit laatste geldt eveneens voor de door verzoekster in juni 2014 opgevraagde politiemutatie van 16 juli 2006.

De door verzoekster gestelde, mogelijk door haar te lijden schade vanwege de door de minister aan het Uwv verstrekte gegevens was in de eerdere procedure geen onderwerp van geschil. Reeds hierom kan deze grond niet leiden tot toewijzing van het verzoek om herziening op dit punt.

Gelet op het vorenstaande dient het verzoek te worden afgewezen.

4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan, in tegenwoordigheid van A.M. Pasmans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 mei 2018.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) A.M. Pasmans

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl PS-Updates.nl 2018-0530
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?