19. 2443 AW-PV
Datum uitspraak: 2 december 2019
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 17 oktober 2013, 12/906 AW en 12/907 AW
Partijen:
[verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)
de Minister van Justitie en Veiligheid (minister)
Zitting heeft: C.H. Bangma, als lid van de enkelvoudige kamer
Griffier: R.I.S. van Haaren
Verzoekster is ter zitting verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. R.M. Koene en P.C.A. van Breugel.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Verzoekster is op 26 mei 2005 tijdens de verplichte dienstsport ongelukkig in aanraking gekomen met een collega en heeft daarbij letsel aan haar linkerknie opgelopen. Het ongeval is aangemerkt als een dienstongeval. Bij besluit van 25 mei 2010, gehandhaafd bij besluit van 16 december 2010, heeft de minister geweigerd aansprakelijkheid te erkennen voor de schade die verzoekster dientengevolge heeft geleden.
De Raad heeft bij uitspraak van 17 oktober 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2185, waarvan herziening wordt gevraagd, de uitspraak van de rechtbank ter zake het besluit van 16 december 2010 bevestigd. De Raad heeft met de rechtbank geoordeeld dat de minister aan de op hem als werkgever rustende zorgplicht heeft voldaan, en is evenals de rechtbank tot de conclusie gekomen dat in het geval van verzoekster veeleer sprake is geweest van een ongelukkige samenloop van omstandigheden.
Verzoekster heeft aan haar (derde) verzoek om herziening ten grondslag gelegd dat er een gebrek kleeft aan de medische keuring voor de functie van PIW-er. Door dit gebrek heeft de werkgever niet aan zijn zorgplicht voldaan, aldus verzoekster.
Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die: a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak, b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
De Raad is van oordeel dat, voor zover al sprake zou zijn van feiten of omstandigheden die vóór de uitspraak van 17 oktober 2013 hebben plaatsgevonden en bij verzoekster vóór deze uitspraak niet bekend waren of redelijkerwijs niet bekend konden zijn, die feiten of omstandigheden, waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, niet tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden, nu het dienstongeval te wijten is aan een ongelukkige samenloop van omstandigheden en niet is veroorzaakt door de medische gesteldheid van verzoekster. Ten aanzien van dit derde verzoek om herziening benadrukt de Raad opnieuw - en ditmaal met klem - dat volgens zijn vaste rechtspraak het bijzondere rechtsmiddel van herziening er niet toe dient om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als hiervoor bedoeld, een hernieuwde discussie te voeren, noch om een discussie over de betreffende uitspraak te openen.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) R.I.S. van Haaren (getekend) C.H. Bangma