17. 4288 WMO15, 18/1973 WMO15
Datum uitspraak: 7 november 2018
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 4 mei 2017, 16/5536 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Leusden (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft [X.] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het college heeft op 1 mei 2017 ter uitvoering van de aangevallen uitspraak een nieuw besluit (bestreden besluit 2) genomen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 september 2018. Namens appellante is [X.] verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. B. Harmsen en M. Leegwater.
OVERWEGINGEN
Appellante heeft zich bij het college gemeld om op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) in aanmerking te komen voor ondersteuning in de vorm van huishoudelijke hulp.
Bij besluit van 17 augustus 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 10 november 2016 (bestreden besluit 1), heeft het college de aanvraag afgewezen. Volgens het college is de algemene voorziening huishoudelijke ondersteuning voor appellante passend en adequaat en daarmee voorliggend op de maatwerkvoorziening.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, bestreden besluit 1 vernietigd, het besluit van 17 augustus 2016 herroepen, bepaald dat het college aan appellante van 20 april 2016 tot en met 31 december 2016 een maatwerkvoorziening huishoudelijke hulp voor twee uur per week verstrekt en het college opgedragen om voor de periode vanaf 1 januari 2017 een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak.
3. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het college bij bestreden besluit 2, voor zover hier van belang, aan appellante voor de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2021 een maatwerkvoorziening huishoudelijke hulp verstrekt voor 2 uur per week.
4. Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraak en tegen bestreden besluit 2 gekeerd. Appellante kan zich vinden in de door de rechtbank en het college bij bestreden besluit 2 toegekende maatwerkvoorzieningen, maar wenst een oordeel over haar standpunt dat de gemeentelijke regelgeving niet rechtsgeldig is.
5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Bestreden besluit 2 kan, gelet op artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 6:24 van de Awb, niet in hoger beroep worden betrokken indien partijen daarbij onvoldoende belang hebben. Onder “belang” wordt blijkens de wetsgeschiedenis “procesbelang” verstaan (Kamerstukken II, 2009/10, 32450, nr. 3, blz. 34).
Zoals eerder overwogen in de uitspraak van 18 september 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1874, is eerst sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een beroepschrift met het (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang.
Waar appellante met bestreden besluit 2 de door haar gewenste maatwerkvoorziening heeft gekregen, kan het beroep tegen dat besluit voor haar geen feitelijke betekenis meer hebben. Wat appellante heeft aangevoerd over de rechtsgeldigheid van de gemeentelijke regelgeving betreft een louter formeel of principieel belang. Zij heeft daarmee niet het belang dat is vereist om bestreden besluit 2 bij het hoger beroep te kunnen betrekken.
Appellante heeft evenmin belang bij een inhoudelijke beoordeling van de aangevallen uitspraak. Zij kan zich er immers ook in vinden dat de rechtbank, met vernietiging van bestreden besluit 1 en herroeping van het besluit van 17 augustus 2017, heeft bepaald dat het college aan haar van 20 april 2016 tot en met 31 december 2016 een maatwerkvoorziening in de vorm van huishoudelijke hulp voor twee uur per week dient te verstrekken. Ook een beoordeling van de aangevallen uitspraak kan daarom voor haar geen feitelijke betekenis meer hebben. Dit betekent dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door M.F. Wagner als voorzitter en L.M. Tobé en R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van L. Boersma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 november 2018.
(getekend) M.F. Wagner
(getekend) L. Boersma
md