17. 6028 WLZ-PV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 juli 2017, 16/399 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
CIZ
Datum uitspraak: 26 juni 2019
Zitting hebben: L.M. Tobé, voorzitter, en R.M. van Male en H. Benek, leden
Griffier: B. Dogan
Ter zitting zijn verschenen:
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
De vraag of sprake is van procesbelang moet ambtshalve worden beoordeeld. Voor het antwoord op deze vraag is volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 7 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3679) bepalend of het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijke betekenis kan hebben. Het hebben van een formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van procesbelang.
Hoewel invoelbaar is dat er pijn is geleden door de besluitvorming door CIZ en dat het bestreden besluit is ervaren als een weigering om te erkennen dat de moeder zeer omvangrijke zorg aan appellant heeft verleend, kan aan deze gevoelens geen procesbelang worden ontleend. Wat daarnaast naar voren is gebracht over de gemaakte kosten in de privésfeer kan ook niet leiden tot procesbelang, omdat deze kosten onder de Wet langdurige zorg niet vergoed kunnen worden. Daarom komt de Raad niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de aangevallen uitspraak.
Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier. Het lid van de enkelvoudige kamer.
De griffier is verhinderd te ondertekenen. (getekend) L.M. Tobé
lh