18. 3687 WWAJ
Datum uitspraak: 18 december 2019
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 11 oktober 2017, 17/5742
Partijen:
[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft op 28 juni 2018 verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 11 oktober 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:3552).
Het Uwv heeft op dat verzoek een reactie gegeven.
Verzoeker heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2019. Verzoeker is verschenen. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
OVERWEGINGEN
Het Uwv heeft bij besluit van 9 december 2014 een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong) afgewezen.
Bij beslissing op bezwaar van 21 april 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van verzoeker wegens overschrijding van de bezwaartermijn niet-ontvankelijk verklaard.
Nadat de rechtbank het beroep bij uitspraak van 14 februari 2017 niet-ontvankelijk had verklaard in verband met een niet verschoonbaar geachte overschrijding van de beroepstermijn, heeft de rechtbank na een verzetprocedure het beroep bij uitspraak van
25 juli 2017 ontvankelijk en gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen dat verzoeker aannemelijk heeft gemaakt dat hij met een bezwaarschrift van 2 januari 2015, dat het Uwv op 3 januari 2015 moet hebben ontvangen, tijdig bezwaar heeft gemaakt.
Bij de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Verzoeker heeft met verwijzing naar onder meer zijn brief van 28 september 2017 verzocht om herziening van de uitspraak van 11 oktober 2017 op de grond dat geen rekening is gehouden met zijn situatie en hij zich niet kan vinden in de overwegingen zoals opgenomen in de uitspraak.
Bij uitspraak van 24 mei 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:1703) heeft de Raad het verzoek om herziening van de uitspraak van 11 oktober 2017 afgewezen.
2. Verzoeker heeft bij brief van 28 juni 2018 wederom verzocht om herziening van de uitspraak van 11 oktober 2017 op de grond dat in de uitspraak ten onrechte niet is vermeld dat het bezwaar tijdig is ingediend.
3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Op grond van artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
Het is vaste rechtspraak van de Raad dat het bijzondere rechtsmiddel van herziening er niet toe dient om een hernieuwde discussie te voeren, noch om een discussie over de betreffende uitspraak te openen, maar om een rechterlijke uitspraak die berust op een naderhand onjuist gebleken feitelijk uitgangspunt te redresseren. Slechts aangelegenheden van feitelijke aard kunnen tot herziening leiden (zie de uitspraken van de Raad van 3 oktober 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AN7982, en van 23 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1360).
In de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht heeft de Raad onder meer vastgesteld dat het bestreden besluit op juiste wijze aan verzoeker is bekendgemaakt, omdat het niet alleen per post maar tevens overeenkomstig de wens van verzoeker op 21 april 2015 naar het door hem gebruikte e-mailadres is gezonden. In de uitspraak waarvan herziening is verzocht, is geoordeeld dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat het beroepschrift eerst op 25 november 2015 – en daarmee buiten de termijn van zes weken – is ontvangen en daarvoor geen verschoonbare redenen zijn gegeven.
Verzoeker stelt zich onder meer op het standpunt dat het Uwv zelf heeft aangegeven dat men ervan uitgaat dat het bezwaar tijdig is ingediend. Het Uwv heeft na de uitspraak van de rechtbank van 25 juli 2017 een herbeoordeling verricht en de aanvraag om een Wajong‑uitkering afgewezen. Daartegen loopt een hoger beroepsprocedure.
Het herzieningsverzoek slaagt niet. De uitspraak waarvan herziening wordt verzocht en waarin onder meer is vastgesteld dat verzoeker te laat beroep heeft ingesteld zonder daarvoor een goede reden te hebben gehad, blijft onverkort geldend. De overwegingen in de uitspraak waarvan herziening is verzocht berusten niet op een naderhand onjuist gebleken feitelijk uitgangspunt. Er is geen sprake van een feit in de zin van artikel 8:119 van de Awb wat tot herziening van de uitspraak aanleiding kan geven. De omstandigheid dat het Uwv na de uitspraak van de rechtbank van 25 juli 2017 alsnog een beoordeling heeft verricht maakt niet dat het beroep van verzoeker destijds toch tijdig was ingediend, dan wel dat er een verschoonbare reden voor de termijnoverschrijding was.
Uit de overwegingen 3.1 tot en met 3.5 volgt dat het verzoek om herziening moet worden afgewezen.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van D.S. Barthel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 december 2019.
(getekend) S. Wijna
(getekend) D.S. Barthel