CAK (CAK)
PROCESVERLOOP
[appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 13 augustus 2021 (procedurenummers bij de Raad 21/3138 ZVW en 21/3268 ZVW) en tegelijkertijd verzocht om herziening van de uitspraken van de Raad van 13 december 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU7137, van 23 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1858, van 6 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:67, van 21 februari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:584 en van 12 oktober 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2447 (procedurenummers bij de Raad respectievelijk 21/3150 ZVW, 21/3151 ZVW, 21/3149 ZVW, 21/3142 ZVW en 21/3141 ZVW).
CAK heeft een verweerschrift ingediend.
Het hoger beroep en de verzoeken om herziening zijn ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 21 april 2022. Partijen zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen.
OVERWEGINGEN
[appellant] is geboren op [geboortedatum] 1934 en woonde sinds 1994 in België. Sinds 1 juli 2020 woont [appellant] weer in Nederland. Hij ontvangt vanaf 1999 een pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet en een pensioen van [naam B.V.] B.V. Niet in geschil is dat [appellant] geen betaalde werkzaamheden in België heeft verricht en uitsluitend uit Nederland een wettelijk pensioen geniet.
Ingevolge de – met ingang van [geboortedatum] 2006 in werking getreden – Zorgverzekeringswet (Zvw) is [appellant] in de periode waarin hij in België woonde als verdragsgerechtigde aangemerkt en heeft hij met toepassing van Verordening (EEG) nr. 1408/71 en vanaf 1 mei 2010 met toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004
(Vo 883/2004) recht op zorg in het woonland België, ten laste van pensioenland Nederland. Voor dit recht op zorg is op grond van artikel 69 van de Zvw in verbinding met artikel 30 van Vo 883/2004 een bijdrage verschuldigd (buitenlandbijdrage) die wordt ingehouden op het pensioen van [appellant].
Bij besluit van 12 februari 2020 heeft CAK de definitieve buitenlandbijdrage voor het jaar 2016 vastgesteld. Bij besluit van 6 juli 2020 heeft CAK aan [appellant] meegedeeld dat hij per 1 juli 2020 niet meer verdragsgerechtigd is in verband met zijn verhuizing naar Nederland. Bij besluit van 1 september 2020 heeft CAK de voorlopige buitenlandbijdrage voor het jaar 2019 vastgesteld.
Bij het besluit van 27 juli 2020 (bestreden besluit 1) heeft CAK het bezwaar tegen het besluit van 12 februari 2020 ongegrond verklaard. Bij het besluit van 23 november 2020 (bestreden besluit 2) heeft CAK de bezwaren tegen de besluiten van 6 juli 2020 en 1 september 2020 ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak de beroepen van [appellant] tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft [appellant] zijn standpunten die hij ook in eerdere procedures naar voren heeft gebracht herhaald. [appellant] blijft van mening dat hij ten onrechte als verdragsgerechtigde is aangemerkt en dat CAK daarom geen buitenlandbijdrage heeft mogen heffen dan wel (laten) inhouden op zijn pensioen. Zijn betoog komt er in het kort gezegd op neer dat de onder 1.2 genoemde verordeningen niet op zijn situatie van toepassing zijn, hij door de verschuldigdheid van de buitenlandbijdrage is belemmerd in de uitoefening van zijn vrije verkeer als Unieburger en dat zijn situatie vergelijkbaar is met die in het arrest Hoogstad van 26 oktober 2016. Volgens [appellant] heeft de rechtbank dit niet onderkend, evenmin als de Raad in de eerdere uitspraken. Om die reden heeft [appellant] in het hoger beroepschrift van 24 augustus 2021 ook om herziening van de onder het procesverloop genoemde uitspraken van de Raad verzocht. Dit zou ertoe moeten leiden dat CAK alle door [appellant] betaalde buitenlandbijdragen aan [appellant] restitueert, vermeerderd met wettelijke rente.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De verzoeken om herziening
Op grond van artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de bestuursrechter op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
Gelet op de uitspraken van de Raad van 20 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1055, en van 21 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4060, moet in het belang van de rechtseenheid voorop worden gesteld, dat van degene die om herziening vraagt van een uitspraak mag worden verlangd dat hij niet onredelijk lang wacht met de indiening van dat verzoek. Een onredelijk laat ingediend herzieningsverzoek moet niet-ontvankelijk worden verklaard.
Een verzoek om herziening wordt in de regel geacht onredelijk laat te zijn ingediend, indien het verzoek is ingediend meer dan een jaar nadat de indiener bekend is geworden met de daarin gestelde nieuwe feiten en omstandigheden (nova) dan wel, indien geen nova zijn gesteld, als het is ingediend meer dan een jaar na de datum van openbaarmaking van de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht.
De hiervoor in 4.2 geformuleerde regel geldt niet voor het indienen van een verzoek om herziening van een uitspraak over een bestuurlijke boete. Een dergelijk verzoek is niet aan de in 4.3 vermelde termijn van één jaar gebonden.
De zaken waarvan [appellant] herziening heeft verzocht hebben geen betrekking op een uitspraak over een bestuurlijke boete. Vastgesteld wordt dat bij de herzieningsverzoeken geen nova zijn gesteld en dat de herzieningsverzoeken die betrekking hebben op uitspraken van de Raad van 13 december 2011, 23 mei 2014, 6 januari 2017 en 12 februari 2019 meer dan één jaar na de datum van openbaarmaking zijn ingediend. Daarom moet worden geoordeeld dat de verzoeken om herziening van die uitspraken onredelijk laat zijn ingediend.
Deze herzieningsverzoeken worden dan ook niet-ontvankelijk verklaard.
Het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 12 oktober 2020 is wel binnen een jaar na de datum van openbaarmaking ingediend en dus ontvankelijk.
Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 23 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1360) dient het bijzondere rechtsmiddel van herziening er niet toe om een hernieuwde discussie over de desbetreffende uitspraak te voeren of te openen, maar om een rechterlijke uitspraak die berust op een naderhand onjuist gebleken feitelijk uitgangspunt te herstellen. Dit kan alleen indien is voldaan aan de strikte, cumulatieve voorwaarden van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb.
[appellant] heeft bij het verzoek om herziening geen feiten of omstandigheden genoemd die vóór de uitspraak niet bij hem bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn. Hij beoogt in feite een hernieuwde discussie over de uitspraak van de Raad van 12 oktober 2020. Uit wat in 4.8 is overwogen volgt dat het middel van herziening daar niet toe kan strekken.
Uit het voorgaande volgt dat dit verzoek om herziening moet worden afgewezen.
Het hoger beroep
Het betoog van [appellant] komt in essentie op hetzelfde neer als hij in eerdere procedures bij de Raad naar voren heeft gebracht. In zijn eerdere uitspraken, die gelet op het voorgaande niet zullen worden herzien, is de Raad uitvoerig op dit betoog ingegaan. Er is geen aanleiding om hierover nu tot een ander oordeel te komen. Evenals de rechtbank verwijst de Raad kortheidshalve naar die eerdere uitspraken die met vindplaatsen zijn genoemd onder het procesverloop. Aan [appellant] is ook nu terecht een buitenlandbijdrage opgelegd, en voor restitutie van de betaalde bijdragen is geen aanleiding.
Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in tegenwoordigheid van E.J. van der Veldt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2022.
(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum
(getekend) E.J. van der Veldt