21. 4058 AKW
Datum uitspraak: 28 juli 2022
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 7 oktober 2021, 20/6302 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juni 2022. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar partner [naam partner] . De Svb heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
OVERWEGINGEN
Feiten
1. Appellante woont met haar zoon [naam zoon] , geboren op [geboortedatum] 2017, in Nederland. De partner van appellante en vader van [naam zoon] woont en werkt in Zwitserland en ontvangt daar gezinsbijslag voor hun zoon. Op 11 juli 2017 heeft appellante kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) aangevraagd. Appellante werkt vanaf 24 januari 2018 in Nederland.
Besluitvorming Svb
Met een besluit van 26 november 2018 (besluit 1) heeft de Svb het recht van appellante op Nederlandse gezinsbijslag, bestaande uit kinderbijslag en kindgebonden budget, definitief berekend over het derde en vierde kwartaal van 2017. Appellante heeft recht op een nabetaling van € 72,24, na aftrek van de vergelijkbare Zwitserse gezinsbijslag op de Nederlandse gezinsbijslag.
Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij beslissing op bezwaar van 2 juli 2019 is het bezwaar hiertegen ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat in een uitspraak van 30 januari 2015 deze Raad uitleg heeft gegeven aan het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 8 mei 2014, C-347/12, Wiering, en heeft bepaald wat onder het begrip sociale zekerheidsuitkering ‘van dezelfde aard’ moet worden verstaan. De Svb begrijpt hieruit dat onder het begrip ‘van dezelfde aard’ ook het kindgebonden budget moet worden verstaan, waardoor het kindgebonden budget ook onder de Nederlandse gezinsbijslag valt. Bij het bepalen van de aanvulling uit Nederland brengt de Svb daarom de gezinsbijslag uit Zwitserland in mindering op de Nederlandse kinderbijslag en kindgebonden budget.
Hierna heeft de Svb bij nog drie besluiten het recht op gezinsbijslag definitief vastgesteld:
- bij besluit van 7 december 2018 (besluit 2) is vastgesteld dat appellante over het eerste kwartaal van 2019 recht heeft op een nabetaling van € 749,37;
- bij besluit van 14 oktober 2019 (besluit 3) is vastgesteld dat appellante over heel 2018 recht heeft op een nabetaling van € 147,84;
- bij besluit van 28 november 2019 (besluit 4) is vastgesteld dat over het eerste kwartaal van 2020 recht bestaat op een nabetaling van € 770,43.
Op 9 januari 2020 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen besluiten 1 tot en met 4. Bij het bestreden besluit van 18 maart 2020 is het bezwaar:
- tegen besluit 4 gegrond verklaard, omdat appellante op grond van werken in Nederland over het eerste kwartaal van 2020 recht heeft op volledige Nederlandse gezinsbijslag;
- tegen besluiten 1, 2 en 3 niet-ontvankelijk verklaard. Daarbij is overwogen dat op een bezwaar tegen besluit 1 al eerder is beslist bij beslissing op bezwaar van 2 juli 2019. Verder is overwogen dat het bezwaar tegen besluiten 2 en 3 te laat is ingediend.
Hierna heeft de Svb met een besluit van 20 maart 2020 besluit 2 ingetrokken, omdat het bezwaarschrift van appellante ook is aangemerkt als een nieuwe aanvraag om gezinsbijslag. Het recht op gezinsbijslag is daarbij met een jaar terugwerkende kracht beoordeeld. Aangezien appellante in Nederland woont en werkt, heeft zij vanaf het eerste kwartaal van 2019 recht op volledige Nederlandse gezinsbijslag.
Procedure bij de rechtbank
2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen besluiten 1 tot en met 3 ongegrond verklaard. Het beroep tegen de gegrondverklaring van het bezwaar tegen besluit 4 is niet-ontvankelijk verklaard. Ten aanzien van besluit 1 is overwogen dat het systeem van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) eraan in de weg staat dat er tweemaal – inhoudelijk – op een bezwaar tegen eenzelfde primaire besluit wordt beslist. Ten aanzien van besluiten 2 en 3 heeft de rechtbank de overschrijding van de bezwaartermijn niet verschoonbaar geacht als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb, omdat appellante eerder tegen die besluiten had kunnen opkomen. Wat betreft besluit 4 heeft appellante volgens de rechtbank geen procesbelang meer bij het voeren van een procedure tegen dit besluit, omdat de Svb over het eerste kwartaal van 2020 volledig is tegemoet gekomen.
Standpunt in hoger beroep
3. Appellante heeft aangevoerd dat de Svb het bezwaarschrift tegen besluit 1 ten onrechte niet als beroepschrift heeft doorgestuurd naar de rechtbank, zoals dat aan de orde is geweest in het telefoongesprek van 18 maart 2020. Verder is aangevoerd dat de overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar is, omdat de Svb in de beslissing op bezwaar van 2 juli 2019 ten onrechte heeft verwezen naar de uitspraak van de Raad van 30 januari 2015 en het arrest Wiering. Daarbij is gesteld dat in die uitspraak van de Raad de term kindgebonden budget niet wordt genoemd en het kindgebonden budget en de Zwitserse gezinsbijslag bovendien geen uitkeringen van ‘dezelfde aard’ zijn. De Svb heeft met de onjuiste verwijzing naar het arrest Wiering de indruk gewekt dat haar besluiten juist waren, waardoor appellante geen tijdig beroep en bezwaar heeft ingesteld. Met een beroep op de beschikking van het HvJEU van 1 april 2011, T-468/10, Doherty, heeft appellante tot slot aangevoerd dat sprake is van een ‘begrijpelijke verwarring’, waardoor eerder gestelde termijnen van openbare orde zouden moeten vervallen.
Oordeel van de Raad
Op zitting is vastgesteld dat besluit 2 is ingetrokken bij het onder 1.6 genoemde besluit van 20 maart 2020 en dat besluit 2 niet meer in geschil is. In hoger beroep is uitsluitend nog in geschil of de Svb bij het bestreden besluit terecht het bezwaar tegen besluiten 1 en 3 nietontvankelijk heeft verklaard.
Besluit 1
Het oordeel van de rechtbank dat het systeem van de Awb eraan in de weg staat dat tweemaal – inhoudelijk – op een bezwaar tegen een dezelfde primaire besluit wordt beslist, wordt onderschreven (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2017:3791).
Appellante wordt niet gevolgd in haar stelling dat de Svb het bezwaarschrift tegen besluit 1 als beroepschrift tegen de beslissing op bezwaar van 2 juli 2019 had moeten doorsturen naar de rechtbank. Uit haar bezwaar kan worden afgeleid dat zij er voor kiest om opnieuw bezwaar te maken tegen het besluit 1 omdat zij niet op tijd in beroep is gegaan tegen het besluit van 2 juli 2019.
Besluit 3
Niet in geschil is dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift tegen besluit 3 als bedoeld in artikel 6:7 van de Awb is overschreden. In geschil is of appellante omstandigheden heeft aangevoerd die overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar maken als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb.
Dat appellante, zoals zij stelt, niet tijdig bezwaar heeft gemaakt omdat zij door de Svb op het verkeerde been is gezet door een onjuiste invulling of uitleg van de Svb van het arrest Wiering in de beslissing op bezwaar van 2 juli 2019 tegen besluit 1, is geen omstandigheid die bij de beoordeling van de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding kan worden betrokken. Appellante heeft zelf een verantwoordelijkheid om na te gaan of hetgeen de Svb stelt in een besluit, juist is. De verwijzing naar een arrest van het HvJEU en een uitspraak van deze Raad zijn bovendien eenvoudig te raadplegen.
Tot slot kan het beroep op de beschikking in de zaak Doherty niet slagen. Die zaak had betrekking op de beroepstermijn en procedure van het Gerecht en mist toepassing in dit geval.
Conclusie
5. Uit wat is overwogen onder 4.1 tot en met 4.3.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd voor zover aangevochten.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door M. Wolfrat, in tegenwoordigheid van E.J. van der Veldt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2022.
(getekend) M. Wolfrat
(getekend) E.J. van der Veldt