Samenvatting
Het gaat in deze zaak om een verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 22 december 2020. De Raad zal het verzoek om herziening afwijzen. Zoals ter zitting is besproken, heeft verzoekster geen feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan de Raad die uitspraak zou kunnen herzien.
Het oordeel van de Raad
Hoe moet een verzoek om herziening worden getoetst?
Het bijzondere rechtsmiddel van herziening is niet bedoeld om een hernieuwde discussie over de desbetreffende uitspraak te voeren of te openen, maar om een rechterlijke uitspraak die berust op een naderhand onjuist gebleken feitelijk uitgangspunt te herstellen.
Dit kan alleen indien is voldaan aan de strikte, cumulatieve voorwaarden van artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De Raad heeft verzoekster er in de uitnodiging voor de zitting op gewezen dat herziening van een uitspraak op grond van dat artikel alleen mogelijk is op grond van feiten en omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak;
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden als zij bij de bestuursrechter eerder bekend waren geweest.
Herziening kan dus alleen plaatsvinden als er feiten en omstandigheden zijn van vóór de uitspraak, die bij verzoekster toen niet bekend waren en ook niet bekend konden zijn en – als ze voor de uitspraak wel bekend zouden zijn geweest – tot een andere uitkomst hadden kunnen leiden.
Wat verzoekster aanvoert kan niet leiden tot herziening
Zoals ter zitting is besproken, heeft verzoekster ook na de uitnodiging voor de zitting geen feiten en omstandigheden als hiervoor bedoeld aangevoerd. Verzoekster heeft ter zitting van de Raad aangevoerd dat op basis van de menselijke maat toegewerkt moet kunnen worden naar een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit. Dat is niet mogelijk, omdat de Raad alleen bevoegd is om tot herziening van een uitspraak over te gaan op grond van hierboven omschreven feiten en omstandigheden. Andere gronden, zoals de menselijke maat, kunnen daarvoor geen grondslag bieden.
Conclusie en gevolgen
Het verzoek om herziening wordt afgewezen. De uitspraak van de Raad van 22 december 2020 blijft in stand.
Verzoekster krijgt daarom haar proceskosten niet vergoed. Zij krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van L.G. Cornelissen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 april 2023.
(getekend) P.W. van Straalen
(getekend) L.G. Cornelissen