SAMENVATTING
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 maart 2024, 23/5543 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
De Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank te Amstelveen (Svb)
[Betrokkene] (betrokkene)
Datum uitspraak: 6 november 2025
In deze zaak gaat het om een besluit tot toekenning van een AOW-pensioen met een korting van 10% vanwege vijf niet-verzekerde jaren. In het besluit op bezwaar heeft de Svb enkele perioden waarin betrokkene in het buitenland werkte alsnog als in Nederland verzekerde tijdvakken aangemerkt. Uit door de Duitse instanties tijdens de bezwaarprocedure aan de Svb verstrekte informatie bleek echter dat betrokkene in een periode die in eerste instantie door de Svb als verzekerd tijdvak was aangemerkt een Duitse werkloosheidsuitkering had ontvangen. Daarom heeft de Svb die periode in het besluit op bezwaar alsnog als nietverzekerd aangemerkt. Als gevolg daarvan werd het aantal niet-verzekerde jaren niet verminderd en werd de korting op het AOW-pensioen gehandhaafd op 10%. Volgens de rechtbank leverde deze gang van zaken reformatio in peius op. De Raad gaat daar niet in mee.
PROCESVERLOOP
De Svb heeft hoger beroep ingesteld. Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een zienswijze op het incidenteel hoger beroep ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 25 september 2025. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Zuidersma-Hovers. Betrokkene is eveneens verschenen.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Met een besluit van 6 januari 2023 heeft de Svb aan betrokkene met ingang van 14 november 2022 een AOW-pensioen toegekend ter hoogte van 90% van een volledig pensioen, omdat zij in totaal (afgerond) vijf jaar niet in Nederland verzekerd is geweest. Betrokkene is niet verzekerd geacht in de perioden: van 11 januari 2000 tot en met 23 juli 2000; van 5 maart 2007 tot en met 31 juli 2007; van 16 oktober 2007 tot en met 30 juni 2012.
Met een besluit van 28 juli 2023 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 6 januari 2023 gegrond verklaard en betrokkene alsnog verzekerd geacht over de eerder uitgesloten tijdvakken in het jaar 2007. Nader onderzoek heeft echter uitgewezen dat betrokkene niet verzekerd is geweest van 1 juli 2012 tot en met 30 september 2012. Hierdoor blijft sprake van een niet-verzekerde periode van afgerond vijf jaar en dus van een korting van 10% op het AOW-pensioen.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en het besluit van 6 januari 2023 herroepen. De rechtbank heeft de Svb opgedragen betrokkene in de maanden juli, augustus en september 2012 verzekerd te achten voor de AOW, en bepaald dat zijn uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit. Ook is de Svb opgedragen aan betrokkene het griffierecht te vergoeden.
De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat de Svb betrokkene terecht niet verzekerd heeft geacht over de jaren 2008 en 2009. Betrokkene werkte toen in Duitsland en Nederland en had volgens de rechtbank haar woonplaats in Duitsland, zodat de Duitse socialezekerheidswetgeving op haar van toepassing was.
Volgens de rechtbank mocht de Svb betrokkene echter niet alsnog onverzekerd achten in de maanden juli, augustus en september 2012 omdat het bestreden besluit in zoverre leidt tot een verslechtering van de rechtspositie van betrokkene. Als deze drie maanden in 2012 als verzekerde tijdvakken zouden gelden, zou namelijk sprake zijn van een niet-verzekerde periode van afgerond vier jaar en daarmee van een korting op het AOWpensioen van 8%. Uit het bestreden besluit valt niet af te leiden dat deze verslechtering ook mogelijk zou zijn geweest als betrokkene geen bezwaar had gemaakt. Door de in het bestreden besluit genoemde drie maanden in 2012 als niet-verzekerde periode aan te merken, heeft de Svb volgens de rechtbank in strijd gehandeld met het verbod van reformatio in peius.
Het standpunt van de Svb
3. De Svb is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank, met uitzondering van het deel van de uitspraak waarin de Svb is opgedragen het griffierecht van betrokkene te vergoeden. De Svb heeft in het besluit van 6 januari 2023 vastgesteld dat betrokkene niet verzekerd was tot en met 30 juni 2012. Dit heeft de Svb gebaseerd op de eerdere verklaringen van betrokkene en de destijds bekende gegevens van de Deutsche Rentenversicherung. Tijdens de bezwaarprocedure is de Svb nagegaan wat de Duitse stand van de verzekering was en toen is gebleken dat betrokkene een Duitse werkloosheidsuitkering ontving tot en met 30 september 2012 en op die grond nog verzekerd was in Duitsland. Het gevolg hiervan is dat betrokkene ook in de periode van 1 juli tot en met 30 september 2012 niet verzekerd was voor de AOW. Volgens de Svb kan de rechtbank niet in strijd met het Europees recht bepalen dat betrokkene over deze periode wel verzekerd is geweest voor de AOW. De Svb verwijst naar Vo 883/2004, op grond waarvan bij grensoverschrijdende situaties de verzekerde jaren voor de AOW moeten worden vastgesteld in samenwerking met de desbetreffende landen. Bovendien vloeit uit de AOW zelf voor de Svb een bevoegdheid en zelfs verplichting voort om, in dit geval, te bepalen dat betrokkene ook over de periode 1 juli 2012 tot en met 30 september 2012 niet verzekerd is geweest voor de AOW en dat deze periode meetelt voor de korting op het AOW-pensioen. Van reformatio in peius is geen sprake.
Het standpunt van de betrokkene
4. Betrokkene heeft in haar verweerschrift betoogd dat zij in 2007, 2008 en 2009 wel verzekerd wil worden geacht. Volgens betrokkene heeft zij in die perioden ook premies volksverzekeringen betaald. Ten slotte heeft zij erop gewezen dat per januari 2024 de korting op AOW-pensioenen vanwege schuldige nalatigheid wettelijk is afgeschaft. Ter zitting heeft betrokkene toegelicht dat zij zich toch kan vinden in de uitspraak van de rechtbank.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de korting op het AOW-pensioen heeft vernietigd aan de hand van wat de Svb in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. Ter zitting is gebleken dat betrokkene het incidenteel hoger beroep niet handhaaft. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep van de Svb slaagt. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
De wetgever heeft met artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht– waarin de verplichting tot heroverweging op grondslag van het bezwaar is vervat – tot uitdrukking willen brengen dat onderdelen van het primaire besluit die geheel los staan van de aangevoerde bezwaren, in beginsel niet mogen worden heroverwogen en dat het primaire besluit in beginsel niet ten nadele van de bezwaarde mag worden gewijzigd. Dit zogenoemde verbod van reformatio in peius staat eraan in de weg dat het indienen van een bezwaarschrift ertoe leidt dat de indiener via de heroverweging door het bestuursorgaan in een slechtere positie geraakt dan zonder de bezwaarprocedure mogelijk zou zijn. Als de heroverweging in bezwaar tot een voor de indiener ongunstiger resultaat leidt dan het primaire besluit, dan is dat dus alleen toelaatbaar als het bestuursorgaan ook zonder dat het bezwaarschrift zou zijn ingediend tot wijziging van het bestreden besluit ten nadele van de indiener bevoegd zou zijn.
Beoordeeld moet dus in de eerste plaats worden of betrokkene door het bestreden besluit in een ongunstiger positie is geraakt dan bij het primaire besluit. Zo ja, dan moet vervolgens worden beoordeeld of de Svb ook los van de bezwaarprocedure het besluit had mogen herzien op de manier waarop dit nu bij het bestreden besluit is gebeurd. Omdat hierover, gelet op de aangevallen uitspraak, kennelijk onduidelijkheid bestaat, zal de Raad, deels ten overvloede, beide stappen van deze toets uitvoeren.
Resulteerde het bestreden besluit in een slechtere positie?
De Raad stelt vast dat het bestreden besluit niet heeft geresulteerd in een slechtere positie van betrokkene. Doordat de Svb in het bestreden besluit de periode van 1 juli 2012 tot en met 30 september 2012 als niet-verzekerd tijdvak heeft aangemerkt, bleef de korting op het AOW-pensioen van betrokkene gehandhaafd op 10%. De uitkomst van de besluitvorming door de Svb is bij het bestreden besluit dus niet gewijzigd. Het feit dat de motivering van het besluit en daarmee een onderdeel van het besluit is gewijzigd, levert geen strijd op met het verbod op reformatio in peius. Het gaat erom of het resultaat van die besluitvorming nadelig is, wat in dit geval niet zo is. Reeds hierom kan de aangevallen uitspraak niet in stand blijven.
Mocht de Svb ook los van het bezwaar het eerdere besluit wijzigen?
Los hiervan merkt de Raad, strikt genomen ten overvloede, het volgende op. De Svb is op grond van artikel 17a van de AOW verplicht tot herziening van het AOWpensioen, indien dit ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend. Aan deze verplichting kan, in het geval van een lopende bezwaarprocedure, buiten de gronden van het bezwaar om, vorm worden gegeven via de in die procedure te nemen beslissing op bezwaar.
Als het pensioen door het bestreden besluit ten nadele van betrokkene zou zijn gewijzigd, had de vraag beantwoord moeten worden, of in dit geval in zoverre sprake was van een ten onrechte verleend pensioen. Daarvoor is relevant dat niet in geschil is dat betrokkene in de periode van 1 juli tot en met 30 september 2012 een Duitse werkloosheidsuitkering heeft ontvangen. Uit artikel 11, eerste en tweede lid, van Vo 883/2004, in samenhang met het derde lid, onder a, van dit artikel, vloeit voort dat in die situatie bij uitsluiting de Duitse socialezekerheidswetgeving van toepassing is. In die periode kan dus geen sprake zijn van verzekering voor de AOW. Dit wordt bevestigd in artikel 6a van de AOW.
Toen de informatie over de Duitse werkloosheidsuitkering van betrokkene tijdens de bezwaarprocedure bij de Svb bekend werd, werd duidelijk dat het besluit van 6 januari 2023 onjuist was, omdat daarin de genoemde periode ten onrechte als een verzekerd tijdvak was aangemerkt. De Svb zou daarom, als dit zou hebben geleid tot een verschil in de toe te passen korting, verplicht zijn geweest het recht op uitkering te herzien, ook als er geen bezwaarprocedure aanhangig was geweest. Er zou dan geen sprake zijn geweest van schending van het verbod van reformatio in peius. In dit geval komt daar overigens nog bij dat de informatie uit Duitsland reeds door de Svb was opgevraagd voordat betrokkene haar bezwaarschrift indiende. Het bekend worden van deze informatie was dus geen gevolg van het maken van bezwaar.
Ook om deze reden kan de aangevallen uitspraak niet in stand blijven.
Conclusie en gevolgen
Uit 5.1 tot en met 5.6 volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd voor zover aangevochten en het beroep tegen het bestreden besluit zal ongegrond worden verklaard. Dit betekent dat het besluit van 28 juli 2023 over de toekenning van het AOW-pensioen aan betrokkene, met een hoogte van 90% van een volledig pensioen, in stand blijft.
6. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en E.E.V. Lenos en J.P. Loof als leden, in tegenwoordigheid van J. Bonnema als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 november 2025.
(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum
(getekend) J. Bonnema
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip verzekerde.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 7:11
1. Indien het bezwaar ontvankelijk is, vindt op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats.
(…)
Algemene Ouderdomswet
Artikel 6
1. Verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet is degene, die nog niet de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, en
a. ingezetene is;
b. geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland of op het continentaal plat in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.
(…)
Artikel 6a
Zo nodig in afwijking van artikel 6 en de daarop berustende bepalingen:
a. wordt als verzekerde aangemerkt de persoon van wie de verzekering op grond van deze wet voortvloeit uit de toepassing van bepalingen van een verdrag of van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie;
b. wordt niet als verzekerde aangemerkt de persoon op wie op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is.
Artikel 13
Verordening (EG) 883/2004
Artikel 11: Algemene regels
a. a) geldt voor degene die werkzaamheden al dan niet in loondienst verricht in een lidstaat, de wetgeving van die lidstaat;
(…)