ECLI:NL:RBZWB:2025:8269

ECLI:NL:RBZWB:2025:8269, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 24-11-2025, C/02/438597

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 24-11-2025
Datum publicatie 12-12-2025
Zaaknummer C/02/438597
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Breda
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 25 zaken
Aangehaald door 1 zaken
30 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827 BWBR0001854 BWBR0001886 BWBR0001903 BWBR0001969 BWBR0001990 BWBR0001996 BWBR0001997 BWBR0002014 BWBR0002058 BWBR0002252 BWBR0002267 BWBR0002320 BWBR0002353 BWBR0002389 BWBR0002392 BWBR0002419 BWBR0002458 BWBR0002469 BWBR0002638 BWBR0002656 BWBR0002698 BWBR0002747 BWBR0002755 BWBR0002798 BWBR0002976 BWBR0003045 BWBR0003104 BWBR0003109 BWBR0003173

Samenvatting

voorlopige voorziening-verwijzing naar UHA-uitleg aan kinderen in beschikking

Uitspraak

2. De feiten

Blijkens de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:

- partijen hebben gedurende 19 jaar een relatie met elkaar gehad. Deze relatie is sinds

januari 2025 beëindigd;

- uit hun samenlevingsverband zijn de volgende nu nog minderjarige kinderen geboren:

- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2008;

- [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2010;

- [minderjarige 3] , geboren op te [geboorteplaats] op [geboortedag 3] 2013;

- [minderjarige 4] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 4] 2015;

- [minderjarige 5] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 5] 2017;

- genoemde kinderen zijn door de man erkend. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over die minderjarigen met uitzonderring van [minderjarige 5] . Het gezag over [minderjarige 5] wordt alleen door de vrouw uitgeoefend;

- er is geen rechterlijke uitspraak van kracht ter zake het hoofdverblijf van de minderjarigen, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en een onderhoudsbijdrage ten behoeve van de minderjarigen.

3. Het verzoek

De vrouw verzoekt bij wege van voorlopige voorziening ex artikel 223 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), in afwachting van de beslissing in de hoofdzaak:

I- te bepalen dat de kinderen iedere week op de maandag tot en met woensdag 14.30 uur

bij haar zijn en vanaf woensdag 14.30 uur tot en met vrijdag 12.30 uur bij de man;

II- voor zover de kinderen in het weekend bij de man zijn, de man de kinderen op

maandag naar school brengt. Indien er geen school is, haalt zij de kinderen op

maandag om 14.30 uur op bij de man;

III- te bepalen dat de kinderen ieder oneven weekend bij haar en ieder even weekend bij de man zijn, waarbij de telling van de weekenden in de vakanties doorloopt;

IV- voor zover de overdracht niet op school plaatsvindt, draagt zij zorg voor halen en brengen;

V- te bepalen dat de man gehouden is om, met ingang van de datum van indiening van dit

verzoekschrift, maandelijks en bij vooruitbetaling, bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] met een bedrag van € 350,= per kind.

De man verzoekt, bij wege van voorlopige voorziening ex artikel 223 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), in afwachting van de beslissing in de hoofdzaak

a. een zorg- en contactregeling vast te stellen voor [minderjarige 5] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] zoals in randnummer 23 van het verweerschrift uiteen gezet;

b. een vakantieregeling vast te stellen voor [minderjarige 5] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] zoals in randnummer 24 van het verweerschrift uiteen gezet;

c. te bepalen dat de vrouw gehouden is om met ingang van 1 september 2025, subsidiair vanaf de datum van het begin van deze procedure, meer subsidiair vanaf een

ingangsdatum zoals de rechtbank in goede justitie zal vermenen te bepalen, maandelijks bij vooruitbetaling bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding te betalen, € 92,= voor [minderjarige 1] , € 92,= voor [minderjarige 2] en € 43,= voor [minderjarige 4] , met afwijzing van hetgeen de vrouw hierover heeft verzocht. Subsidiair een maandelijkse bijdrage vast te stellen zoals de rechtbank in goede justitie meent te behoren;

d. te bepalen dat hij maximaal een bijdrage in de kosten van [minderjarige 5] en [minderjarige 3] zal betalen van € 55,= per kind per maand.

4. De beoordeling

Ontvankelijkheid

Ingevolge artikel 223 lid 1 Rv kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Lid 2 van dit artikel bepaalt dat de vordering moet samenhangen met de hoofdvordering.

Naar het oordeel van de rechtbank hangen onderhavige verzoeken samen met het verzoek in de hoofdzaak, zodat partijen kunnen worden ontvangen in hun verzoeken.

Inhoudelijke beoordeling

De rechtbank stelt voorop dat voor toewijzing van een verzoek in het kader van artikel 223 Rv slechts plaats is, indien er naar het oordeel van de rechtbank voldoende belang bestaat in die zin dat van partijen niet gevergd kan worden dat zij de afloop van de hoofdzaak afwachten. Daarnaast moet de rechtbank de belangen van partijen afwegen tegen de achtergrond van de te verwachten resterende duur van de hoofdzaak en van de proceskansen daarin.

De zorg- en contactregeling (verzoeken I. tot en met IV. en a. en b.)

De vrouw legt aan haar verzoek het volgende ten grondslag. Partijen hebben na het verbreken van de relatie tevergeefs geprobeerd afspraken rondom de zorg- en contactregeling te maken. Daarna zijn de problemen alleen maar toegenomen zoals rondom de wisselmomenten van de kinderen in verband met het werk van partijen. Vooral afgelopen zomervakantie gaf veel problemen omdat de man een aantal kinderen tegen hun zin wou meenemen. Op enig moment is de politie en vervolgens Veilig Thuis bij de situatie betrokken. Er is namelijk sprake geweest van verbaal en agressief optreden van de man en de zoon van zijn nieuwe partner toen de vrouw spullen van de kinderen wilde ophalen. Inmiddels laat de man zich negatief uit over de vrouw richting de kinderen. De kinderen worstelen met de situatie. De vrouw verzoekt om een regeling vast te stellen zoals partijen die eerst hadden bedacht.

De man bevestigt dat partijen hebben geprobeerd afspraken te maken waarbij birdnesting het uitgangspunt was. Er ontstonden problemen omdat de vrouw haar wil wilde opleggen en de man iedere keer werd beschuldigd van zaken die hij niet gedaan heeft. Volgens de man heeft de vrouw echter te weinig zelfreflectie over haar eigen aandeel in de hele situatie. Een en ander heeft onrust gebracht voor de kinderen. De zaak is geëscaleerd in de zomer toen de man op vakantie wilde gaan met de drie oudste kinderen maar de vrouw haar toestemming niet gaf. Daarop hebben beide partijen contact opgenomen met Veilig Thuis maar helaas duurde het lang voordat er een casemanager kwam.

De man is nu voorlopig akkoord met de door de vrouw voorgestelde regeling voor wat betreft [minderjarige 5] en [minderjarige 3] . Voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] werkt de regeling volgens hem niet. [minderjarige 1] heeft psychische problemen en [minderjarige 2] geeft aan de door de vrouw verzochte regeling niet na te willen komen. [minderjarige 4] is volgens hem een ander verhaal; hij gaf aan bij de vrouw mishandeld te worden maar wil ook naar haar toe. De man gelooft niet dat [minderjarige 4] door de vrouw wordt mishandeld, maar volgens hem is het probleem dat [minderjarige 4] zich graag even terugtrekt terwijl die mogelijkheid er voor hem niet is bij de vrouw omdat hij daar geen eigen kamer heeft.

Op de zitting is de situatie tussen partijen en de kinderen nader besproken. Gebleken is dat het ouders samen niet lukt de problemen tussen hen op te lossen. De rechtbank vindt het, net als de Raad, daarom nodig dat voor deze ouders en hun minderjarige kinderen een passend (jeugd)hulpverleningstraject bij een zorgaanbieder wordt ingezet. Ouders hebben tijdens de mondelinge behandeling ermee ingestemd dat de rechtbank hen en hun minderjarige kinderen voor (jeugd)hulpverlening verwijst naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Midden-Brabant. De verwijzing heeft op 7 oktober 2025 plaatsgevonden met het verzenden van het verwijzingsformulier naar het loket. Deze beschikking geldt als bevestiging dat ouders met de doorverwijzing en de voorwaarden daarvan hebben ingestemd.

Met de inzet van het (jeugd)hulptraject gaan de ouders, zo is met hen afgesproken, in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten: - de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het kind; - het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund.

Gebleken is dat ouders daarnaast ook op andere onderdelen hulp en ondersteuning nodig hebben. Daarom heeft de rechtbank na overleg met de ouders besloten dat zij samen met een zorgaanbieder ook gaan werken aan het behalen van het de volgende resultaten:- de gezagdragende ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van

het kind; (keuze: lichte interventie);- het kind en de gezagdragende ouders hebben onbelast contact met elkaar;- er is inzicht in de mogelijkheden/belemmeringen van beide ouders en de hulp die nodig is

om een stabiele opvoedsituatie voor het kind te realiseren, binnen de scheidingssituatie;De resultaten zijn ook vastgelegd in een resultatenlijst. Deze lijst is aan deze beschikking gehecht (bijlage 1).

Ten aanzien van het verdere verloop van het traject overweegt de rechtbank als volgt.

Na afloop van het (jeugd)hulpverleningstraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de gemeente/toegang op te maken rapport gevoegd. Tussen partijen is een bodemprocedure aanhangig, bij deze rechtbank bekend onder zaak-/rekestnummer 438595 FA RK 25-4103.Voor het doorlopen van een hulpverleningstraject waarbij zoals hier wordt ingezet op onbelast contact wordt standaard een termijn van 9 maanden aangehouden.Gelet hierop verzoekt de rechtbank het loket om de volledige UHA rapportage uiterlijk op na te noemen pro forma datum, of zoveel eerder als mogelijk is, in de hiervoor genoemde bodemprocedure in te brengen. Op verzoek van het loket en/of de gemeente/toegang kan de rechtbank deze termijn verlengen. Dit verzoek moet gemotiveerd worden gedaan. Als de verlenging wordt toegestaan dan geeft de rechtbank een nieuwe pro forma datum door.

Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage uit te laten of een mondelinge behandeling in de bodemprocedure nog nodig is. De advocaten maken in hun reactie kenbaar wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor de in die procedure gedane verzoeken met betrekking tot de kinderen.

Als de hulp niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat verzoekt de rechtbank het loket de volledige UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad. De Raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of interventie zal worden verricht. De Raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is een onderzoek of interventie te starten.

Wanneer de Raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van de UHA rapportage direct een advies kan geven, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich over dit advies, alsmede over het verdere procesverloop uit te laten.

Wanneer de Raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de rechtbank

de Raad dit onderzoek te verrichten en daarover in de in de bodemprocedure bekend onder

zaak-/rekestnummer 438595 FA RK 25-4103 een rapport en advies in te dienen ter

beantwoording van de volgende vragen:

- Welke hoofdverblijfplaats komt het meest tegemoet aan de belangen van de minderjarigen;

- Welke zorgregeling door de ouders komt het meest tegemoet aan de belangen van de minderjarigen?

- Welke vorm van contact met degene bij wie de kinderen niet het hoofdverblijf hebben komt het meest tegemoet aan de belangen van de minderjarigen?

- Hoe dient de regeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden?

- Zijn er contra-indicaties voor omgang en zo ja, welke?

- In hoeverre zijn deze contra-indicaties op te heffen; hoe, onder welke voorwaarden en op welke termijn?

- welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, is niet in voorgaande vraag aan de orde gesteld en is wel van belang om te vermelden?

Deze beschikking is een verzoek aan de Raad om dit onderzoek te verrichten, indien het traject niet is gestart of niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.

Na een onderzoek of interventie van de Raad stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid om binnen een termijn van 14 dagen op de rapportage van de Raad te reageren en zich uit te laten over het verdere procesverloop.

De ouders zijn tijdens de mondelinge behandeling geïnformeerd over de privacy aspecten van de doorverwijzing (bijlage). Zij hebben met het delen van de privacy gegevens en de voorwaarden waaronder de verwijzing plaatsvindt ingestemd.

Voor wat betreft de zorg- en contactregeling is op de mondelinge behandeling gebleken dat de regeling voor [minderjarige 5] en [minderjarige 3] kan worden vastgelegd zoals door de vrouw verzocht.

Verder hebben partijen afgesproken dat er voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] eens per 14 dagen in het weekend een contactmoment is met de vrouw. Nadere invulling zal plaatsvinden door beide ouders, in samenspraak met de kinderen. De rechtbank zal overeenkomstig beslissen.

Voor [minderjarige 4] acht de rechtbank het wenselijk en goed dat er ook voor hem een zorg- en contactregeling geldt. Gebleken is dat partijen het erover eens zijn dat de regeling zoals die voor de twee jongste kinderen zal worden bepaald op dit moment voor [minderjarige 4] ook een goede regeling is.

Partijen hebben verzocht om vaststelling van een uitgebreide zorg- en contactregeling gedurende de feest- en vakantieperiodes. De rechtbank verwacht van partijen dat zij zich zullen inspannen om in het belang van de kinderen in onderling overleg voor in ieder geval de duur van deze procedure een regeling voor de eerstkomende feest- en vakantieperiodes te treffen, zo nodig met behulp van de in te schakelen hulpverlening.

Naar aanleiding van de gesprekken met [minderjarige 3] en [minderjarige 5] zal de rechtbank hen op de volgende wijze berichten:

“Op 29 augustus 2025 zijn jullie op de rechtbank geweest. We hebben gepraat over hoe het met jullie gaat en waar jullie willen wonen. Jullie hebben verteld dat het goed gaat zoals het nu is. De helft van de tijd zijn jullie bij je vader en de helft bij je moeder.

Op 3 oktober 2025 heb ik met jullie ouders gepraat. Zij vinden ook allebei dat het op deze manier voorlopig het beste is. Daarom blijft het nu gewoon zoals jullie het gewend zijn, de helft van de tijd zijn jullie bij vader en de helft van de tijd bij moeder. Jullie ouders hebben ook afgesproken dat er hulpverlening gaat komen.”

Naar aanleiding van het gesprek met [minderjarige 4] zal de rechtbank hem op de volgende wijze berichten:

“Op 29 augustus 2025 ben je op de rechtbank geweest. We hebben toen gepraat over hoe het met je gaat en waar je graag wilt wonen. Jij hebt verteld dat je het fijn vindt om bij je vader te zijn.

Op 3 oktober 2025 heb ik met je vader en moeder gepraat. Zij hebben samen afgesproken dat je dezelfde verdeling krijgt als jouw zussen [minderjarige 3] en [minderjarige 5] . Dat betekent dat je de helft van de tijd bij je vader en de andere helft bij je moeder bent.

Jouw ouders hebben goed begrepen dat jij hieraan zal moeten wennen en dat het belangrijk is dat er rust komt. Jouw moeder heeft nu een huis en een bed waar jij kan slapen, net als bij jouw vader. Jouw ouders vinden allebei dat dit het beste voor je is. Verder wil ik nog zeggen dat het belangrijk is om contact te houden met allebei jouw ouders, ook al is dat soms niet zo makkelijk. Jouw ouders hebben ook nog afgesproken dat er hulpverlening gaat komen.”

Naar aanleiding van de gesprekken met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zal de rechtbank hen op de volgende wijze berichten:

Op 29 augustus 2025 zijn jullie op de rechtbank geweest. We hebben toen besproken hoe het nu met jullie gaat en waar jullie het liefst wonen. Allebei hebben jullie verteld dat je graag bij je vader wil blijven wonen.

Op 3 oktober 2025 heb ik met jullie ouders en hun advocaten gesproken. Zij hebben samen besloten dat jullie bij vader blijven wonen en dat er eens in de veertien dagen een contactmoment zal plaatsvinden met jullie moeder. Hoe dat contact eruitziet, mogen jullie in onderling overleg met jullie ouders bepalen. We vertrouwen erop dat jullie samen een manier vinden die goed voelt voor iedereen. Jullie ouders hebben ook afgesproken dat er hulpverlening gaat komen.”

Op verzoek van partijen heeft de rechtbank de beslissing op de verzoeken tot het bepalen van kinderalimentatie aangehouden. Partijen hebben op de zitting aangegeven hierover met elkaar in gesprek te zullen gaan. Uit de berichten hierover van partijen leidt de rechtbank af dat zij hierin niet zijn geslaagd. Zonder nadere bespreking van de standpunten van partijen kan de rechtbank hierop niet beslissen. Daarom zal een nadere zitting worden bepaald.

5. De beslissing

De rechtbank

bepaalt bij wege van provisionele voorziening, totdat in de hoofdzaak definitief is beslist als volgt:

verwijst ouders en hun minderjarige kinderen

- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2008;

- [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2010;

- [minderjarige 3] , geboren op te [geboorteplaats] op [geboortedag 3] 2013;

- [minderjarige 4] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 4] 2015;

- [minderjarige 5] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 5] 2017;

voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Midden-Brabant. Het loket zal ouders en kinderen vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van de minderjarigen verwijzen naar de zorgaanbieder;

verzoekt het loket om uiterlijk op 7 juli 2026 pro forma, of zoveel eerder als mogelijk is, in de bodemprocedure bekend onder zaak-/rekestnummer 438595 FA RK 25-4103 de rapportage over het verloop en het resultaat van het (jeugd)hulpverleningstraject ter griffie in te dienen;

verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, de UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad;

verzoekt de Raad binnen veertien dagen na ontvangst van de UHA rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten;

verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda wanneer het (jeugd)hulptraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, ten behoeve van de bodemprocedure bekend onder zaak-/rekestnummer 438595 FA RK 25-4103 onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in r.o. 4.14. opgenomen vragen en daarover te rapporteren en te adviseren;

verzoekt de Raad zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht bij de rechtbank in te dienen, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift van dit rapport en advies aan de advocaten van partijen;

bepaalt in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en aanzien van de minderjarigen:

1. [minderjarige 3] , geboren op te [geboorteplaats] op [geboortedag 3] 2013;

2- [minderjarige 4] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 4] 2015;

3- [minderjarige 5] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 5] 2017;

- dat zij iedere week vanaf maandag tot en met woensdag 14.30 uur bij de vrouw zijn en

vanaf woensdag 14.30 uur tot en met vrijdag 12.30 uur bij de man;

- dat voorzover deze kinderen in het weekend bij de man zijn, de man de kinderen op

maandag naar school brengt. Indien er geen school is, haalt de vrouw de kinderen op

maandag om 14.30 uur op bij de man;

- dat deze kinderen ieder oneven weekend bij de vrouw en ieder even weekend bij de man zijn, waarbij de telling van de weekenden in de vakanties doorloopt;

- dat voorzover de overdracht niet op school plaatsvindt, de vrouw zorgdraagt voor halen en brengen;

- dat partijen de zorg- en contactregeling gedurende de vakanties en feestdagen nader in onderling overleg regelen;

bepaalt dat de vrouw en de minderjarigen

4- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2008;

5- [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2010;

in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben

van een contactmoment met elkaar éénmaal per 14 dagen in het weekend en gedurende de

vakanties en feestdagen waarvan de invulling nader in overleg door partijen en in samenspraak met de kinderen zal worden ingevuld;

houdt iedere verdere beslissing op de verzoeken ten aanzien van de kinderalimentatie aan;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. Meyboom, rechter, en in tegenwoordigheid van mr. Van der Plas, griffier, in het openbaar uitgesproken op 24 november 2025.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. Meyboom

Griffier

  • mr. Van der Plas

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?