OVERWEGINGEN
De Raad wijzigt de uitspraak van de Raad van 19 februari 2025, 21/1604 als volgt:
Rechtsoverweging 5.3 in de uitspraak wordt:
De toepassing van artikel 6:22 van de Awb geeft aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze kosten houden verband met door een derde aan appellant beroepsmatig verleende rechtsbijstand en worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 1.814,- voor de kosten in beroep (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting, wegingsfactor 1, met een waarde per punt van € 907,-) en € 2.267,50 voor de kosten in hoger beroep (1 punt voor het hoger beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting, 0,5 punt voor de zienswijze op het deskundigenrapport, wegingsfactor 1, met een waarde per punt van € 907,-). Verder bestaat recht op vergoeding van de reiskosten die appellant in het kader van de zitting bij de rechtbank en de Raad heeft gemaakt, te weten € 25,32 en € 59,16. Verder moet het Uwv aan appellant het door hem betaalde griffierecht in beroep en hoger beroep vergoeden.”
In het dictum wordt het bedrag in het vierde onderdeel gewijzigd. De beslissing van de Centrale Raad van Beroep wordt gewijzigd in:
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 4.392,73.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep rectificeert zijn uitspraak van 19 februari 2025 als in de overwegingen is weergegeven.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van D. Semiz als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 november 2025.
(getekend) F.M. Rijnbeek
(getekend) D. Semiz