Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
Het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg heeft op I mei 2019 in aanwezigheid van de verdachte en diens raadsvrouw plaatsgevonden, waarna op 15 mei 2019 vonnis is gewezen.
Bij die stand van zaken had de verdachte, gelet op het bepaalde in artikel 408, eerste lid, aanhef en onder b, van het Wetboek van Strafvordering binnen veertien dagen na 15 mei 2019 in hoger beroep moeten komen. De verdachte heeft op 26 oktober 2022, en dus te laat, hoger beroep ingesteld. Niet blijkt van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen omstandigheden op grond waarvan de overschrijding van de termijn verschoonbaar kan worden geacht. Dat de verdachte na het verstrijken van de beroepstermijn wilde terugkomen op zijn eerder in overleg met zijn raadsvrouw genomen beslissing om geen hoger beroep in te stellen, kan niet als een dergelijke omstandigheid worden aangemerkt.
Gelet op het bovenstaande dient de verdachte niet-ontvankelijk te worden verklaard in het hoger beroep.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Parketnummer: 23-003267-22 2
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. E. van Die, mr. R.D. van Heffen en mr. M.L.M. van der Voet, in tegenwoordigheid van J.N. Balentina, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 4 juli 2023.