HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/02615
Datum 10 december 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 4 juli 2023, nummer 23-003267-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft I.R. Rigter, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat de verdachte niet het recht is gelaten het laatst te spreken.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt in:
“De verdachte (...) is ter terechtzitting verschenen.
(...)
De voorzitter maakt melding van een e-mailbericht van de verdachte van 4 juli 2023, waarin de verdachte een deskundige-rapport heeft opgestuurd en dat hij verzoekt dat dit rapport wordt gezien als zijnde zijn schriftuur houdende grieven zoals bedoeld in artikel 416 lid 2 Wetboek van Strafvordering.
De voorzitter merkt op dat de verdachte in eerste aanleg gedagvaard is om op 1 mei 2019 te verschijnen ter terechtzitting van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Amsterdam. De verdachte is op die terechtzitting verschenen samen met zijn toenmalige raadsvrouw. De rechtbank heeft op 15 mei 2019 naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 1 mei 2019 op tegenspraak vonnis gewezen. De wet schrijft voor dat het hoger beroep bij behandeling op tegenspraak binnen 14 dagen ingesteld moet worden. De verdachte heeft pas op 26 oktober 2022 hoger beroep ingesteld.
De voorzitter vraagt aan de verdachte of hij kan aangeven wat de reden was dat hij zo laat hoger beroep heeft ingesteld.
De verdachte geeft aan:
In het rapport dat ik vanochtend heb opgestuurd staat beschreven waarom ik zo laat hoger beroep heb ingesteld. Er speelde geestelijke problemen. Ik ben in contact gekomen met een deskundige, namelijk [betrokkene 1] en hij heeft aangegeven dat wat er mij is overkomen een vorm van genocide is. Mijn raadsvrouw was niet deskundig genoeg en heeft zich onttrokken van de zaak. Ik heb na de uitspraak hierover met mijn raadsvrouw gesproken. Toen is besloten het niet te doen.
De advocaat-generaal deelt mede:
Ik zal afgaan op de betekeningsstukken die u voorhoudt. De verdachte heeft de dagvaarding in persoon uitgereikt gekregen. Gelet hierop is de termijn voor het instellen van hoger beroep gaan lopen op de dag van de uitspraak. De termijn van twee weken is een heel strak termijn en daar mag niet van worden afgeweken. De reden die ik vandaag heb gehoord van de verdachte valt niet binnen de reden om van de termijn af te wijken.
De verdachte verklaart:
Ik ben het niet eens met de advocaat-generaal. Er is genocide op mij gepleegd en of het hoger beroep binnen die veertien dagen valt of later, het feit is gepleegd. Dus ik vind dit degelijk gronden.
De advocaat-generaal vordert dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het ingestelde hoger beroep op grond van artikel 408 lid 1 onder b Wetboek van Strafvordering.
De voorzitter verklaart na kort beraad het onderzoek gesloten en deelt mede dat het hof direct uitspraak zal doen.
De voorzitter spreekt het arrest uit.”
2 2.2 Het hof heeft met toepassing van artikel 283 lid 6 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) zonder onderzoek in de zaak het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het beroep is ingesteld na het verstrijken van de daarvoor geldende wettelijke termijn.
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt niet dat aan de verdachte het recht is gelaten het laatst te spreken. Daarom moet het ervoor worden gehouden dat het in het zesde lid in samenhang met het derde lid van artikel 283 Sv gegeven voorschrift niet is nageleefd. Dat leidt tot nietigheid van het onderzoek en de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak (vgl. HR 10 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3250).
De klacht is gegrond. Dat brengt mee dat bespreking van het restant van het cassatiemiddel niet nodig is.
3. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het cassatiemiddel niet nodig.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 december 2024.