Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 28 maart 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat het hof in de navolgende overweging reageert op in hoger beroep gevoerde verweren.
Het hof merkt op dat hetgeen de raadsman en de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep overigens naar voren hebben gebracht met betrekking tot het bewijs en de strafoplegging, het hof niet heeft gebracht tot andere overwegingen dan vervat in het vonnis van de rechtbank.
Bespreking van in hoger beroep gevoerde verweren
De raadsman heeft overeenkomstig de overgelegde pleitaantekeningen aangevoerd dat deskundige [deskundige01] in de contra-expertise heeft gesteld dat er minuten tussen het ontstaan van het letsel en het optreden van de symptomen kunnen hebben gezeten, waardoor het exacte moment van het ontstaan van het letsel niet vastgesteld kan worden. Derhalve is de conclusie van de rechtbank dat het de verdachte moet zijn geweest die het letsel aan zijn dochter heeft toegebracht niet juist, omdat het letsel kan zijn toegebracht op een moment dat de verdachte niet alleen met zijn dochter was.
Het hof verwerpt dit verweer en overweegt hieromtrent als volgt.
De deskundige [deskundige01] heeft in zijn rapport van 20 juli 2020 het volgende geantwoord op de hem onder 11 gestelde vraag of er iets te zeggen is over hoe lang er tussen het ontstaan van het letsel en de ziekenhuisopname kan hebben gezeten:
“Uit eigen wetenschappelijk onderzoek is gebleken dat er na een abusive head trauma , in de
aanwezigheid van retinale bloedingen (zoals in casu), geen lucide interval optreedt. De schade treedt
onmiddellijk op, de symptomen worden quasi onmiddellijk duidelijk (met enige voorzichtigheid in die
zin dat de symptomen voor de leek mogelijk niet onmiddellijk kunnen worden herkend - in dit geval
spreken we eerder over een grootte-orde van minuten (en geen uren)) . ”
Op vraag 13, inhoudende of het zo kan zijn dat [slachtoffer01] bijvoorbeeld pas na 5,10 of 15 minuten (of eventueel langer) na het ontstaan van het gestelde letsel haar bewustzijn verloor, heeft de deskundige naar het hiervoor vermelde antwoord op vraag 11 verwezen en daaraan toegevoegd dat hier “enkele minuten” over kunnen gaan, maar “niet langer dan dat”.
Het hof begrijpt uit deze antwoorden dat de gevolgen van het letsel onmiddellijk na het toebrengen daarvan intreden, maar dat een leek de symptomen mogelijk niet onmiddellijk, maar dan toch wel binnen maximaal enkele minuten herkent. De deskundige heeft immers eerder in zijn rapport bij vraag 4 al aangegeven dat de bij [slachtoffer01] vastgestelde hersenschade dient te zijn veroorzaakt door een incident onmiddellijk voor het optreden van klinische symptomen op 3 februari 2017.
Ook indien ervan uit wordt gegaan dat er sprake is geweest van enkele minuten tussen het ontstaan van de hersenschade en het (ook voor een leek) aan het licht komen van de symptomen bij [slachtoffer01] , dan blijft de conclusie van de rechtbank dat de verdachte zich als enige in de nabijheid van [slachtoffer01] heeft bevonden toen het fatale letsel werd veroorzaakt onverminderd overeind. Mogelijke andere scenario’s kunnen op grond van de verklaringen van de verdachte en zijn partner worden uitgesloten. Zoals ook door de rechtbank is overwogen volgt immers uit de verklaringen van zowel de verdachte als zijn partner, dat het de verdachte is geweest die als enige bij [slachtoffer01] was op het moment dat zij onwel werd. Van enige interactie tussen de partner van de verdachte en [slachtoffer01] is immers geen sprake meer geweest tussen het moment dat zij het huis verliet om boodschappen te doen en het moment waarop zij in de slaapkamer samen met de verdachte vaststelde dat [slachtoffer01] er slecht aan toe was. De exacte duur van haar afwezigheid kan weliswaar niet worden achterhaald, maar vast staat dat dit langer is geweest dan ‘enkele minuten’.
Kwalificatie
De raadsman heeft onder verwijzing naar een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 12 april 2021 (ECLI:NL:GHAMS:2021:986) vrijspraak bepleit van het primair en subsidiair tenlastegelegde. Als het hof tot het oordeel komt dat de verdachte het letsel heeft toegebracht waaraan zijn dochter is overleden, dan zou dat slechts gekwalificeerd kunnen worden als het onder meer subsidiair tenlastegelegde feit: mishandeling met de dood ten gevolge, aldus de raadsman.
Het hof verwerpt dit verweer en sluit zich volledig aan bij de bewezenverklaring, de kwalificatie en de overwegingen daaromtrent, zoals vervat in het vonnis van de rechtbank.
BESLISSING
Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.A.E. van Noort, mr. P.F.E. Geerlings en mr. J.W.P. van Heusden, in tegenwoordigheid van mr. S.M. Schouten, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
11 april 2023.
Mr. R.A.E. van Noort is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.