ECLI:NL:PHR:2024:773

ECLI:NL:PHR:2024:773, Parket bij de Hoge Raad, 27-08-2024, 23/01403

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 27-08-2024
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 23/01403
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2024:1510
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 1 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001854

Samenvatting

Conclusie plv. AG. Art. 287 Sr. Bewijsklacht opzet bij onduidelijkheid over precieze handelingen die tot de dood hebben geleid. Volgens plv. AG faalt het middel en leent het zich voor afdoening op de voet van art. 81.1 RO. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Uitspraak

Nummer23/01403

Zitting 27 augustus 2024

CONCLUSIE

M.E. van Wees

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,

hierna: de verdachte.

Inleiding

Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 11 april 2023 (ECLI:NL:GHAMS:2023:875) het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 20 januari 2022 (ECLI:NL:RBNHO:2022:312), bevestigd onder aanvulling van gronden. Bij voormeld vonnis is de verdachte wegens het primair tenlastegelegde, "doodslag", veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaar.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben een middel van cassatie voorgesteld.

De zaak

Het gaat in deze zaak kort gezegd om het volgende. Bewezen is verklaard dat de verdachte zijn dochter van drie maanden oud opzettelijk heeft gedood. Het hof heeft bewezen geacht dat de verdachte “zodanig geweld” heeft uitgeoefend op “het hoofd en/of het lichaam” van zijn dochter, [slachtoffer] , dat er “forse krachten hebben plaatsgehad op de hersenen”, waaraan de baby is overleden.

De rechtbank en het hof hebben niet kunnen vaststellen uit welke handelingen het geweld precies heeft bestaan. Zowel hevig schudden als stompen van de baby past bij het waargenomen letsel. Het letsel bestaat kort gezegd uit hersenletsel, bloeduitstortingen onder het harde hersenvlies, diverse oogletsels en gebroken ribben. De verdachte heeft erkend bij zijn dochter te zijn geweest toen zij onwel werd. Hij heeft ontkend enige vorm van geweld te hebben gebruikt jegens zijn dochter. In cassatie staan de door het hof vastgestelde letsels evenwel niet meer ter discussie. Ook wordt niet geklaagd over (de begrijpelijkheid van) de vaststelling dat deze letsels door geweld zijn ontstaan. Wel wordt in het middel geklaagd over het oordeel van het hof dat de verdachte het voorwaardelijk opzet had op de dood van zijn dochter. Meer specifiek richt het cassatiemiddel zich op het oordeel dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het meisje als gevolg van zijn handelen zou overlijden. Dat dit handelen de aanmerkelijke kans op overlijden meebracht, wordt dan weer niet betwist.

Voor de bewijsvoering en de verwerping van (in hoger beroep) gevoerde verweren, verwijs ik naar de - op rechtspraak.nl gepubliceerde - uitspraken van de rechtbank Noord-Holland en het gerechtshof Amsterdam. Ik citeer hier alleen de passage van de rechtbank over het voorwaardelijk opzet:

“Opzet

De rechtbank stelt evenals de officier van justitie voorop dat op grond van de bewijsmiddelen niet is vast komen te staan dat de verdachte de intentie had om [slachtoffer] van het leven te beroven. Vol opzet kan daarom niet worden bewezen. De vraag die vervolgens voorligt is of de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] .

Volgens vaste jurisprudentie is voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - in dit geval de dood - aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens (bewust) heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. Of de gedraging van de verdachte de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo’n aanmerkelijke kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedragingen bewust heeft aanvaard.

De rechtbank acht het een feit van algemene bekendheid dat een jonge baby als [slachtoffer] bijzonder kwetsbaar is. Bij de omgang met een baby is behoedzaamheid geboden. Dit impliceert dat er een reële kans bestaat dat het krachtig schudden van het hoofd en/of impacttrauma op het hoofd; met als gevolg schade aan de hersenen, kan leiden tot de dood van een baby.

[slachtoffer] , een baby van drie maanden oud, is komen te overlijden door zeer ernstig hersenletsel. Dit letsel kan slechts zijn toegebracht door het veroorzaken van een heftig trauma waarbij op enigerlei wijze sprake is geweest van hevige krachtsinwerking of geweld. Vanwege de ontkennende proceshouding van de verdachte is het onduidelijk gebleven welke handelingen door de verdachte precies zijn verricht. Ondanks uitnodigingen van de rechtbank aan de verdachte of hij zich gedragingen kan herinneren die mogelijk tot dit fatale resultaat kunnen hebben geleid, heeft hij daarvan geen enkele indicatie gegeven. Bij die stand van zaken legt het eindresultaat, zoals dat is beoordeeld door de deskundigen, in doorslaggevende zin gewicht in de schaal bij de bewijswaardering. Vast staat, zo volgt uit de eerdergenoemde rapporten, dat er aanzienlijke kracht op [slachtoffer] is uitgeoefend. De deskundige Karst heeft in zijn rapport verwezen naar een studie waaruit blijkt dat het toebrengen van hersenletsel bij kleine kinderen door middel van schudden en/of impact dusdanig heftig is, dat getuigen de handeling direct als gevaarlijk zouden kwalificeren. Ter terechtzitting heeft de deskundige daaraan toegevoegd dat uit die studie blijkt dat buitenstaanders de handelingen die kunnen leiden tot ernstig hersenletsel zoals bij [slachtoffer] geconstateerd, als zeer gewelddadig bestempelen. Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom het uitoefenen van een aanzienlijke kracht in enigerlei vorm op een baby van drie maanden oud naar zijn uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer te zijn gericht op het toebrengen van dodelijk letsel, dat het - behoudens contra-indicaties, waarvan hier niet is gebleken - niet anders kan zijn dan dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer] door zijn handelen zou komen te overlijden. Van zodanige gedragingen, waarbij in het midden moet blijven waarin deze hebben bestaan, moet op grond van de bewijsmiddelen, sprake zijn geweest.”

Het middel

In cassatie wordt dit oordeel bestreden. Het middel bevat de klacht dat het bewezenverklaarde niet uit de bewijsvoering kan volgen.

In het middel en de toelichting daarop lees ik één meer gespecificeerde klacht. Deze houdt in dat de vaststelling dat buitenstaanders de handelingen die leiden tot ernstig hersenletsel zoals bij het slachtoffer geconstateerd, “als zeer gewelddadig bestempelen”, niet genoeg is voor de vaststelling dat de verdachte opzet moet hebben gehad op haar dood, omdat dit opzet in zo een geval ook gericht kan zijn op zwaar lichamelijk letsel. Daarbij speelt in deze zaak de vraag welke eisen gesteld worden aan het bewijs van opzet op de dood bij onduidelijkheid over de precieze handelingen die tot de dood hebben geleid.

Het is vaste jurisprudentie dat indien wordt vastgesteld dat iemand hevig heeft geschud met een baby, dit de conclusie rechtvaardigt dat deze persoon opzet had op de dood van de baby. Dat geldt ook indien de ten laste gelegde en bewezenverklaarde gedragingen bestonden uit het uitoefenen van “hevig schuddend en/of hevig stompend en/of botsend geweld op het hoofd” en als in de bewezenverklaring dus geen keuze wordt gemaakt in de exacte doodsoorzaak, zoals ook is gebeurd in de onderhavige zaak.

De vraag is of dit anders zou moeten zijn gelet op hetgeen in feitelijke aanleg en in cassatie wordt aangevoerd, en dan in bijzonder het aspect dat de exacte doodsoorzaak niet is vast komen te staan. Ik stel bij het beantwoorden van die vraag eerst vast dat het hof niet gehouden was te kiezen tussen het alternatief/cumulatief ten laste gelegde hevig schudden en/of stompen van de baby, nu het voor de aard en ernst van het delict - en daarmee het verwijt dat de verdachte wordt gemaakt - niet uitmaakt op welke wijze de verdachte de baby heeft gedood, terwijl het vaste jurisprudentie is dat de rechter in zo’n geval geen keuze hoeft te maken tussen alternatief tenlastegelegde doodsoorzaken.

Dit werkt in beginsel ook door in de bewijsvoering van het opzet, zij het dat uiteraard wel vast moet komen te staan dat de verdachte in alle niet geëlimineerde scenario’s opzet moet hebben gehad op de dood van het slachtoffer. Zo resteert nog de vraag of het hof in de onderhavige zaak op toereikende wijze heeft gemotiveerd dat de verdachte - ongeacht welke gedragingen nu wel of niet door hem zijn verricht - opzet heeft gehad op de dood van zijn dochter.

De door het hof bevestigde motivering van de rechtbank komt er in de kern op neer dat gebruik wordt gemaakt van één deskundigenverklaring, waarin wordt verwezen naar een studie waaruit blijkt dat de handelingen (schudden en/of impact) die bij kleine kinderen tot ernstig hersenletsel leiden, door buitenstaanders direct als “gevaarlijk” of “zeer gewelddadig” worden gekwalificeerd. Ik begrijp deze vaststelling aldus, dat zowel het schudden op een wijze die tot dit letsel leidt, als het stompen met dit letsel als gevolg, door de gemiddelde ooggetuige als “gevaarlijk” en “zeer gewelddadig” wordt aangemerkt.

Bij deze vaststelling is door rechtbank en hof vervolgens de algemeen bekende kwetsbaarheid van een baby betrokken. Anders gezegd: het op zeer gewelddadige wijze schudden of stompen van een drie maanden oude baby levert naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans op de dood van die baby op. Gelet op een en ander heeft het hof vervolgens geoordeeld dat het niet anders kan zijn geweest dan dat de verdachte - die zelf heeft ontkend en geen alternatieve verklaring voor het letsel heeft gegeven - zich van die kans op de dood, en niet ‘slechts’ de kans op zwaar lichamelijk letsel, bewust is geweest en die ook heeft aanvaard.

Dit oordeel acht ik niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

Afronding

Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

plv. AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?