beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling strafrecht
rekestnummer(s): 000162-24 (530 Sv)
Beschikking op het hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer van de rechtbank Amsterdam van 4 oktober 2023 op het verzoekschrift op de voet van de artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[appellante],
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) in 1956,
domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat, mr. M. Rafik,
Raadhuisstraat 52D, 1016 DG Amsterdam.
1. Procesverloop
Het hoger beroep is op 5 oktober 2024 ingesteld door verzoeker (hierna appellante).
Op 12 juli 2024 heeft de advocaat-generaal het advies van het Openbaar Ministerie kenbaar gemaakt.
Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en heeft op 16 juli 2024 de advocaat-generaal ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. Appellante en haar advocaat zijn met kennisgeving hiervan niet in raadkamer verschenen.
2. Inhoud van het verzoek
Het verzoek strekt tot het verkrijgen van een vergoeding ter zake van:
3. Beoordeling
Het hoger beroep is tijdig ingesteld.
De rechtbank heeft geoordeeld dat het verzoek onder a moet worden afgewezen omdat de zaak is geëindigd met een zogenoemd beleidssepot en de strafrechter bij vervolging mogelijk tot een bewezenverklaring zou zijn gekomen.
Het hof overweegt als volgt.
Ingevolge het bepaalde in artikel 534, eerste lid, Sv heeft de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn. Dit betekent enerzijds dat bij verzoeken op de voet van de artikelen 530 en 533 Sv als uitgangspunt vergoeding plaatsvindt, maar anderzijds dat het de rechter vrij staat op gronden van billijkheid vergoeding achterwege te laten of slechts gedeeltelijk toe te kennen. Deze oordeelsvrijheid wordt begrensd door de onschuldpresumptie zoals (ook) neergelegd in artikel 6, tweede lid, van het Europees verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De onschuldpresumptie verlangt dat - ongeacht de aard van de aan de strafzaak gekoppelde procedure en ongeacht de vraag of de strafprocedure is geëindigd met een vrijspraak dan wel een sepot - de motivering van het oordeel in de gekoppelde procedure niet alsnog neerkomt op het uiten van de mening dat hij of zij schuldig is aan de strafrechtelijke norm van het plegen van een strafbaar feit (Case of Nealon and Hallam v. The United Kingdom).
De motivering van de rechtbank, dat bij vervolging (mogelijk) tot een bewezenverklaring zou zijn gekomen en daarom geen gronden van billijkheid aanwezig zijn voor toekenning van een schadevergoeding, komt in de kern neer op vaststelling van strafrechtelijke aansprakelijkheid zonder dat een rechter een inhoudelijk oordeel over de zaak heeft geveld. Het hof zal de beschikking waarvan beroep daarom vernietigen en opnieuw recht doen.
Het onder a verzochte kan worden gesplitst in rechtsbijstand verleend door mr. M. Rafik ten bedrage van € 2.500,00 en rechtsbijstand verleend door mr. L. de Leon ten bedrage van € 1.815,00. Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de rechtsbijstand verleend door mr. L. de Leon niet is verleend in de strafzaak, maar in een procedure met het UWV. Dat appellante - na eerder strafrechtelijk te zijn gehoord – in de procedure bij het UWV ook de cautie heeft gekregen, maakt dat niet anders.
Gronden van billijkheid zijn aanwezig voor toekenning van een vergoeding voor kosten van rechtsbijstand in de strafzaak ten bedrage van € 2.500,00.
Gronden van billijkheid zijn aanwezig voor toekenning van een vergoeding voor kosten van rechtsbijstand in de onderhavige verzoekschriftprocedure ten bedrage van € 680,00.
4. Beslissing
Het hof:
Vernietigt de beschikking waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Kent op de voet van artikel 530 Sv aan appellant een vergoeding toe van € 3.180,00 (drieduizend honderdtachtig euro).
Wijst het meer of anders verzochte af.
Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan appellant.
Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. A.W.T. Klappe, R.D. van Heffen en A.M.P. Geelhoed, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Groenenberg als griffier, is ondertekend door de voorzitter en de griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 27 augustus 2024.
De voorzitter beveelt:
de tenuitvoerlegging van deze beschikking door overmaking van € 3.180,00 (drieduizend honderdtachtig euro) op bankrekeningnummer [rekeningnummer] t.n.v. Rafik Advocatuur o.v.v. [ovv].
Amsterdam, 27 augustus 2024,
mr. A.W.T. Klappe, voorzitter.