[appellant] ,
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 96-200576-22
AV-nummer: 000330-23
Uitspraak d.d.: 18 september 2023
Beschikking van de meervoudige raadkamer op het hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 15 februari 2023 op het verzoek ex artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering van:
geboren op [geboortedag] 1989 te [geboorteplaats] ,
domicilie kiezende aan [adres] , [plaats] ,
ten kantore van zijn raadsman mr. V.P.J. Tuma,
hierna te noemen: appellant.
Procesgang
Bij een op 14 november 2022 door de rechtbank ontvangen verzoekschrift heeft appellant verzocht om een vergoeding uit ’s Rijks kas van € 2.982,14 voor in een strafzaak tegen appellant gemaakte kosten van rechtsbijstand, zoals nader in het verzoekschrift omschreven. Daarnaast heeft appellant gevraagd om een (forfaitaire) vergoeding voor de kosten van het opstellen en behandelen van het verzoekschrift.
De rechtbank heeft bij voormelde beschikking het verzoek afgewezen.
Namens appellant is op 22 maart 2023 hoger beroep tegen die beschikking ingesteld.
Het hoger beroep is door het hof op 4 september 2023 in het openbaar in raadkamer behandeld, waarbij zijn gehoord de advocaat-generaal en namens appellant mr. Tuma.
Beoordeling van het verzoek
De officier van justitie heeft aan appellant een strafbeschikking uitgevaardigd voor het handelen in strijd met een beperking als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag (betreffende het vertoeven in de open lucht), vermoedelijk gepleegd op 23 januari 2021 in [plaats] . Tegen deze strafbeschikking heeft appellant verzet gedaan en daarbij betoogd dat hij zich aan het strafbare feit niet schuldig heeft gemaakt.
Bij beschikking van 10 augustus 2022 heeft de officier van justitie naar aanleiding van het daartegen gedaan verzet de strafbeschikking ingetrokken en aan appellant kennisgegeven van zijn beslissing hem daarvoor niet meer te vervolgen, waarbij de officier van justitie als reden heeft opgegeven dat het feit waarvan appellant werd verdacht te oud is geworden.
De strafzaak is dus geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
Als de zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht kan ingevolge artikel 530, tweede
lid, van het Wetboek van Strafvordering op een verzoek ingediend binnen drie maanden na
beëindiging van de zaak uit ’s Rijks kas een vergoeding worden toegekend voor de kosten van een raadsman.
Ingevolge artikel 530, vierde lid, in verbinding met artikel 534, eerste lid, van het Wetboek
van Strafvordering heeft de toekenning van een vergoeding steeds plaats indien en voor
zover daartoe naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen,
gronden van billijkheid aanwezig zijn.
De raadsman heeft – kort samengevat – het standpunt ingenomen dat mede gelet op de betwiste verdenking de strafzaak van appellant niet onmiskenbaar tot een veroordeling zou hebben geleid.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat gronden van billijkheid ontbreken om aan appellant een vergoeding toe te kennen, omdat de zaak, indien aan een strafrechter voorgelegd, tot een veroordeling zou hebben geleid.
De maatstaf van artikel 534 van het Wetboek van Strafvordering houdt in enerzijds dat schade en kosten in beginsel worden vergoed maar anderzijds dat het de rechter vrijstaat op gronden van billijkheid een vergoeding achterwege te laten of slechts gedeeltelijk toe te kennen. In het verloop en de uitkomst van een strafzaak kan grond worden gezien voor het oordeel dat het niet billijk is een (gehele) vergoeding toe te kennen. Zo kan de rechter rekening houden met de mate waarin de verzoeker zijn preventieve hechtenis en de kosten van een raadsman aan zijn eigen proceshouding of gedrag heeft te wijten. Daarbij valt te denken aan de manier waarop de verzoeker in zijn strafzaak heeft verklaard en het geval waarin de verzoeker de opsporing bewust heeft bemoeilijkt.
Deze beoordelingsvrijheid wordt begrensd door de onschuldpresumptie van artikel 6, tweede lid, EVRM. Die verlangt dat de rechter geen uiting geeft aan de gedachte dat de gewezen verdachte mogelijk toch schuldig is aan het feit waarvan hij is vrijgesproken of dat met die vrijspraak de verdenking niet definitief is ontkracht.
(Vgl. hof Amsterdam, 10 maart 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1064.)
Een nieuwe beoordeling van de schuld is in een geval van een onherroepelijke vrijspraak dan ook niet toegestaan: de gronden van de vrijspraak mogen niet in twijfel worden getrokken. Zo is het niet toegestaan dat de instantie die beslist op het verzoek van de gewezen verdachte om vergoeding of compensatie tot uitdrukking brengt dat, niettegenstaande de beslissing tot vrijspraak, het toch waarschijnlijk is dat de gewezen verdachte het strafbare feit heeft begaan, dat het tot een bewezenverklaring had kunnen komen als een wijziging van de tenlastelegging had plaatsgevonden of dat toereikend belastend bewijsmateriaal voorhanden is. De rechter mag wel in de beslissing onderdelen van de motivering van de vrijspraak betrekken, zolang die beslissing daarmee nog niet een vaststelling van schuld inhoudt.
Als een zaak niet in een vrijspraak is geëindigd maar in een (beleids)sepot – al dan niet na intrekking van een strafbeschikking – of in een beslissing als bedoeld in artikel 348 van het Wetboek van Strafvordering, zoals een (onherstelbare) nietontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, is het tot uitdrukking brengen van vermoedens van schuld in beginsel niet in strijd met de onschuldpresumptie. Ook dan mag de rechter verwijzen naar de motivering van de beslissing in de strafzaak. Maar het oordeel van de rechter mag ook dan niet alsnog in essentie een vaststelling van schuld inhouden. Vaak heeft geen volwaardig opsporingsonderzoek plaatsgevonden en is geen volwaardig strafdossier opgebouwd. Bovendien is de gewezen verdachte dan niet in de gelegenheid geweest in een procedure tegenover de rechter zijn verdedigingsrechten uit te oefenen. Het is de rechter ook in een dergelijk geval niet toegestaan een eigen, zelfstandig onderzoek naar de mogelijk nog bestaande verdenking in te stellen.
Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat, in aanmerking genomen dat deze procedure niet is bedoeld om de strafzaak en daarmee de eventuele schuld van appellant alsnog te beoordelen, gronden van billijkheid aanwezig zijn voor het toekennen van een vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand. Het hof heeft hierbij in aanmerking genomen dat de strafbeschikking naar aanleiding van het verzet, inhoudende dat appellant zich niet aan het strafbare feit heeft schuldig gemaakt, is ingetrokken. Ook heeft het hof gelet op de in de beschikking van 10 augustus 2022 gegeven motivering om appellant niet meer te vervolgen, welke motivering geen aanleiding vormt om op gronden van billijkheid een vergoeding achterwege te laten of slechts gedeeltelijk toe te kennen.
Het hof heeft verder gelet op de aard, de omvang en de complexiteit van de strafzaak. De verzochte vergoeding van € 2.982,14 komt niet bovenmatig voor en zal integraal worden toegewezen.
Het hof zal gelet op de LOVS-afspraak inzake verzoekschriften schadevergoeding als
vergoeding voor de kosten verbonden aan het opstellen en behandelen van het
verzoekschrift een bedrag van € 1.020 toekennen nu het verzoekschrift in twee instanties is
behandeld.
Het hof acht gronden van billijkheid aanwezig om aan appellant de navolgende vergoeding
toe te kennen (voor):
Totaal € 4.002,14.BESLISSING
Het hof:
Vernietigt de beschikking waarvan beroep;
Kent aan appellant toe een vergoeding ten laste van de Staat van € 4.002,14 (vierduizendtwee euro en veertien cent).
Beveelt de griffier om bovenstaand bedrag over te maken op rekeningnummer [rekeningnummer] , ten name van [naam] , onder vermelding van: ‘ [kenmerk] ’.
Aldus gegeven door
mr. R.D.J. Visschers, voorzitter,
mr. C.H. Zuur en mr. N.C. van Lookeren Campagne, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. E. van der Zandt, griffier,
door de voorzitter en de griffier ondertekend en op 18 september 2023 ter openbare zitting uitgesproken.