ECLI:NL:GHAMS:2025:390

ECLI:NL:GHAMS:2025:390, Gerechtshof Amsterdam, 11-02-2025, 200.323.587/01

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 11-02-2025
Datum publicatie 03-07-2025
Zaaknummer 200.323.587/01
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 2 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001903

Samenvatting

Verzekeringsrecht. Brandschade. Geslaagd beroep op schending mededelingsplicht van artikel 7:941 BW met het opzet de verzekeraars te misleiden (lid 5). Verval van het recht op uitkering. Afwijzing vordering tot verwijdering uit registers. Afwijzing vordering tot vergoeding volledige proceskosten

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.323.587/01

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/707965 / HA ZA 21-875

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 11 februari 2025

inzake

1. [appellant 1] ,

wonende te [plaats 1] ,

2. [appellant 2],

gevestigd te [plaats 2] ,

3. [appellant 3],

gevestigd te [plaats 2] ,

4. [appellant 4],

gevestigd te [plaats 2] ,

appellanten,

advocaat: mr. T.W. Phea te Arnhem,

tegen:

1. de vennootschap naar buitenlands [geïntimeerde 1] ,

gevestigd te Luxemburg, Luxemburg,

2. [geïntimeerde 2],

gevestigd te [plaats 3] ,

advocaat: mr. E.M. van Orsouw te Amsterdam ,

3. NATIONALE-NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V.,

gevestigd te Den Haag,

advocaat: mr. M. Keijzer-de Korver te Rotterdam,

geïntimeerden.

Partijen worden hierna [appellanten] en de Verzekeraars genoemd. Appellanten zullen afzonderlijk [appellant 1] , [appellant 2] , [appellant 3] en [appellant 4] worden genoemd. Geïntimeerden sub 1 en 2 zullen gezamenlijk [geïntimeerden] worden genoemd. Geïntimeerden zullen afzonderlijk met [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] en Nationale-Nederlanden worden aangeduid.

1. De zaak in het kort

Op 17 juni 2019 heeft brand gewoed in de archiefruimte van een bedrijfspand in [plaats 4] . Door de brand is schade ontstaan aan het pand, aan de inventaris en aan een collectie c.q. archief van [appellant 1] . In verband met de ontstane schade wordt door [appellanten] aanspraak gemaakt op dekking onder verschillende verzekeringen die zijn gesloten. Het betreft een gebouwenverzekering, een inventaris-/goederen-, reconstructie- en bedrijfsschadeverzekering en een ‘Fine Art’-verzekering. De Verzekeraars vinden om verschillende redenen dat zij niet tot uitkering hoeven over te gaan. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat [appellant 1] de Verzekeraars op verschillende punten onjuiste informatie heeft verstrekt en dat hij niet heeft voldaan aan de op hem op grond van artikel 7:941 lid 2 BW rustende plicht tot het verstrekken van (juiste) inlichtingen die van belang zijn voor het beoordelen van de uitkeringsplicht van de Verzekeraars. Deze mededelingsplicht is volgens de rechtbank niet-nagekomen met het opzet de Verzekeraars te misleiden, hetgeen leidt tot verval van dekking. Om die reden zijn de vorderingen van [appellanten] afgewezen. Het hof komt niet tot een ander oordeel in hoger beroep.

2. Het geding in hoger beroep

[appellanten] zijn bij dagvaarding van 7 december 2023 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 7 september 2022, onder het hierboven genoemde zaak-/rolnummer gewezen tussen hen als eisers en de Verzekeraars als gedaagden.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord van [geïntimeerden] , met producties;

- memorie van antwoord van Nationale-Nederlanden, met een productie.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 28 oktober 2024 mondeling laten toelichten door hun hiervoor genoemde advocaten, ieder aan de hand van spreekaantekeningen waarvan exemplaren aan het hof zijn overhandigd.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellanten] hebben geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog hun vorderingen, die in hoger beroep deels zijn gewijzigd, zal toewijzen, met veroordeling - uitvoerbaar bij voorraad - van de Verzekeraars in de proceskosten, met nakosten en te vermeerderen met wettelijke rente.

De Verzekeraars hebben geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis en tot afwijzing van de vorderingen van [appellanten] , met veroordeling - uitvoerbaar bij voorraad -van [appellanten] in de proceskosten, met nakosten en te vermeerderen met wettelijke rente.

Alle partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

3. Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.25 feiten opgesomd die tussen partijen vaststaan. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil, zodat het hof daarvan als vaststaand zal uitgaan. [appellanten] voeren aan dat de door de rechtbank vastgestelde feiten niet volledig zijn, maar dat kan niet leiden tot vernietiging van het bestreden vonnis. De rechtbank was niet gehouden om meer feiten als vaststaand aan te merken dan die zij nodig had om de beslissingen te motiveren. Het gaat in deze zaak, samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, om het volgende.

[appellant 1] houdt zich middels de vennootschappen [appellant 2] , [appellant 3] en [appellant 4] bezig met het uitgeven van publicaties over klassieke automobielen en daaraan verwante zaken. Dit wordt gedaan vanuit het bedrijfsgebouw aan de [straat 1] te [plaats 4] (hierna: het pand).

[appellant 2] is sinds juli 2007 eigenaar van het pand. [appellant 2] heeft door middel van een gebouwenverzekering het pand verzekerd bij Nationale-Nederlanden.

[appellant 1] heeft een verzameling (kunst)voorwerpen, een eigen collectie c.q. archief met allerlei materiaal (foto’s, teksten, illustraties) over automobielen. Deze collectie is verzekerd bij [geïntimeerde 1] en wordt door [appellant 1] bewaard in het pand. Op het polisblad staat [appellant 1] als verzekeringnemer en verzekerde vermeld.

[appellant 4] en [appellant 3] hebben als verzekeringnemer en verzekerde een inventaris-/goederen-, reconstructie- en bedrijfsschadeverzekering gesloten met [geïntimeerde 2] .

Op 6 maart 2016 heeft er een brand gewoed in de archiefruimte van het pand.

Op 17 juni 2019 heeft er opnieuw brand gewoed in de archiefruimte van het pand. Door de brand is schade ontstaan aan het pand, aan de eigen collectie c.q. het archief van [appellant 1] en aan de inventaris.

De hulpdiensten hebben een salvagecoördinator opgeroepen, de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ). De brandweer heeft een forensisch onderzoek laten doen dat is uitgevoerd door de Forensische Opsporing. Vervolgens is een strafrechtelijk onderzoek gestart naar betrokkenheid van [appellant 1] bij de brand.

Op 18 juni 2019 hebben de Verzekeraars aan [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ) opdracht gegeven een technische en tactische expertise uit te voeren. [bedrijf 1] heeft in verband met het onderzoek [appellant 1] , zijn zoon [naam 2] en ook zijn medewerkster [naam 3] (hierna: [naam 3] ) gehoord.

[appellanten] hebben een contra-expert ingeschakeld. Deze contra-expert, de heer [naam 4] van HBS Expertises, heeft de heer [naam 5] , h.o.d.n. [bedrijf 2] , ingeschakeld als brandonderzoeker. Bij het onderzoek door [bedrijf 1] was [naam 5] aanwezig.

In het rapport van [naam 5] van 19 augustus 2019 staat, voor zover relevant, het volgende vermeld:

“SAMENVATTING EN CONCLUSIE(S)

(…)

U heeft mij verteld dat u door de politie bent aangemerkt als verdacht van brandstichting in uw bedrijfspand. Inmiddels bent u door de politie als verdachte gehoord, in het bijzijn van uw raadsman.

Uit het onderzoek door de heer [naam 6] van de Forensische Opsporing is de oorzaak van de brand niet vastgesteld. Hierdoor berust de conclusie dat de brand is ontstaan door brandstichting op geen enkele feitelijkheid.

Het is derhalve totaal onduidelijk op grond waarvan de medewerkers van de (tactische) recherche u als verdachte van brandstichting hebben aangemerkt en als zodanig hebben gehoord.

Rapporteur kan zich niet aan de indruk onttrekken dat de Officier van Justitie niet juist is geïnformeerd en zijn beslissing heeft genomen op basis van desinformatie. (…).”

In verband met het strafrechtelijk onderzoek dat naar [appellant 1] is gestart, zijn hijzelf, zijn zoon en [naam 3] gehoord door de politie. [appellant 1] is gehoord op de ochtend van de brand op 17 juni 2019, en op 17 juli 2019. [naam 3] is ook op de ochtend van de brand gehoord. De zoon van [appellant 1] is gehoord op 22 juli 2019. Ook zijn er telefoongesprekken van [appellant 1] getapt in de periode van 10 juli 2019 - 24 juli 2019.

De schadeomvang is door de experts van de Verzekeraars en de expert(s) van [appellanten] (in beginsel) bindend vastgesteld op:

- € 37.500,00 aan schade aan de goederen en inventaris,

- € 20.995,00 aan schade zoals verzekerd onder de bedrijfsschadeverzekering,

- € 91.074,45 aan schade aan de belangen zoals verzekerd onder de gebouwenverzekering,

- € 2.289.920,00 aan schade aan het archief.

In het rapport van [bedrijf 1] van 15 april 2020 staat, voor zover van belang, het volgende vermeld:

Overgelegde offertes:

(…)

De offerte voor het updaten van de alarminstallatie (…) is gedagtekend 27 juni 2019, twee dagen nadat rapporteur [naam 7] daarom heeft verzocht. Weliswaar wordt in deze offerte verwezen naar een offerte aanvraag d.d. 20 maart 2019. Aangezien bij het eerste punt van de offerte staat vermeld “Huidige systeem nakijken (i.v.m. brandschade)…” is deze offerte kennelijk recent.

De offerte met betrekking tot het afkoppelen van de gasheater in de bedrijfshal blijkt na de brand door de heer [appellant 1] per mail te zijn gedicteerd aan de installateur en wel in een op 1 juli 2019 verzonden mail. (…)

8. Analyse PV bevindingen(…)

(…)

Resumerend wordt gesteld dat:

- de door de heer [appellant 1] en [naam 2] genoemde tijdstippen m.b.t. hun bezoek aan het bedrijfspand op zondagmiddag 16 juni 2019 niet juist blijken te zijn;

- door de heer [appellant 1] verschillende en tegenstrijdige lezingen worden

gegeven van:

• het bezoek - en de daaraan gelieerde tijdstippen - aan zijn bedrijf op zondagmiddag 16 juni 2019, door hem en zijn zoon;

• de bediening (in-uitschakeling) van het alarm;

• het tijdstip van het door hem inslaan van de ruit in de achtergevel;

• de ontdekking van de brand;

• de heer [appellant 1] geen verklaring heeft voor de invulling door hem van de 26 minuten die gelegen zijn tussen 06.11 uur en 06.37 uur;

• de door [appellant 1] en zijn zoon [naam 2] genoemde tijdstippen op zondagmiddag 16 juni 2019 niet overeenkomen met de telecomgegevens van hun telefoons en

• dat de lezing van de heer [appellant 1] m.b.t. de ontdekking van de brand, [naam 8] staat op de waarnemingen van de getuige [naam 9] . (…)

9. Samenvatting en conclusie

(…)

Resumerend wordt dan ook gesteld, dat de oorzaak voor het ontstaan van deze brand niet met zekerheid kon worden vastgesteld. Gelet op het feit dat er binnen het vastgestelde ontstaansgebied van de brand het deels verbrande restant van een bureaulamp aangetroffen werd en deze lamp ten tijde van de brand zeer waarschijnlijk ingeschakeld is geweest, kan in technische zin niet worden uitgesloten dat de brand door deze lamp is geïnitieerd bijvoorbeeld doordat er in de directe nabijheid brandbare goederen of materialen hebben gestaan of gelegen.

Mede gelet op alle tegenstrijdigheden in de verklaringen van onder andere de heer [appellant 1] en zijn werkneemster mevrouw [naam 3] , dient ernstig rekening te worden gehouden met de mogelijkheid dat de heer [appellant 1] zelf op enigerlei wijze (negatief) betrokken is bij het ontstaan van deze brand. Vorenstaande is mede ingegeven op basis van de analyse van de documenten zoals via opdrachtgevers verkregen van de politie. Met de kennis van een eerdere brand in 2016 wordt niet uitgesloten dat de heer [appellant 1] met behulp van zijn bureaulamp de omstandigheden heeft gecreëerd voor het ontstaan/ontdekken van de brand op 17 juni 2019.

Tenslotte wordt door rapporteurs nog het volgende opgemerkt, het is gebleken dat in de kantoorruimte waarin tot twee maal toe (in 2016 en 2019) brand heeft gewoed, archiefstukken lagen opgeslagen welke een grote (getaxeerde) waarde vertegenwoordigen. Deels lagen deze archiefstukken, voornamelijk bestaande uit publicaties, handleidingen, originele foto’s, knipsels, posters, brochures, opgeslagen in kunststof bakken en deels in brandwerende kasten. Van deze kosten stonden de deuren ten tijde van de brand in 2019 open. Ondanks dat de archiefstukken een grote waarde vertegenwoordigden en er eerder al in 2016 brand had gewoed in de archiefruimte, zijn er geen preventieve maatregelen getroffen om de stukken bij brand te beschermen dan wel een eventuele brand in een vroeg stadium te detecteren. Delen van de archiefstukken waren immers in open kunststof bakken opgeslagen en van de kasten waarin eveneens archiefstukken lagen, waren de deuren niet gesloten. Het zou voorts verwacht mogen worden dat er een adequaat brandsignaleringssysteem in de archiefruimte aanwezig was. Er was echter in het geheel geen goed werkend alarmsysteem (brand en/of inbraak) aanwezig. (…).”

[appellant 1] heeft bij de Verzekeraars aanspraak gemaakt op dekking.

Bij brief van 19 juni 2020 heeft [geïntimeerde 1] aan [appellant 1] laten weten dat haar voorlopige standpunt is dat er geen dekking is voor de schade, allereerst omdat de brand haar oorzaak heeft in roekeloos handelen vanwege het feit dat de brand op een identieke wijze is veroorzaakt als de eerdere brand van 2016. Daarnaast staat in de brief dat er sprake is geweest van opzet en [appellant 1] de op hem rustende informatieplicht heeft geschonden.

Bij brief van 24 juni 2020 heeft [geïntimeerde 2] aan [appellant 4] en [appellant 3] laten weten dat haar voorlopige standpunt is dat er geen dekking is voor de schade, omdat er sprake is van merkelijke schuld van [appellant 1] aan het veroorzaken van de schade door na te laten de bureaulamp in de archiefruimte uit te schakelen. [appellant 1] wordt in de brief in de gelegenheid gesteld om te reageren.

Bij brief van 6 juli 2020 heeft Nationale Nederlanden een aantal vragen gesteld over de toedracht van de brand, de bestemming van het pand en het naleven van de garantieclausules.

De gemachtigde van [appellant 1] heeft bij brief van 21 september 2020 gereageerd op de brief van [geïntimeerde 1] van 19 juni 2020. In de brief staat onder meer dat er geen sprake is van bewust roekeloos handelen.

Bij brief van 9 oktober 2020 van [geïntimeerde 1] wordt aan de gemachtigde van [appellant 1] geschreven dat [geïntimeerde 1] blijft bij haar standpunt en dat het voorlopige dekkingsstandpunt het definitieve standpunt wordt.

Bij brief van 9 oktober 2020 van [geïntimeerde 2] wordt aan [appellant 4] en [appellant 3] bericht dat een reactie op het voorlopige dekkingsstandpunt is uitgebleven, zodat definitief het standpunt wordt ingenomen dat er geen dekking is vanwege merkelijke schuld en vanwege het verstrekken van onjuiste informatie met de opzet tot misleiding. Tevens staat in de brief dat de verzekeringen worden beëindigd en dat de gegevens van verzekerden voor de duur van acht jaar worden geregistreerd in het incidentenregister en in het Externe Verwijzingsregister.

Nationale Nederlanden heeft op 29 oktober 2020 per e-mail aan de gemachtigde van [appellanten] laten weten geen reactie te hebben ontvangen van de zijde van [appellanten] Er is opnieuw om een inhoudelijke reactie verzocht voor 15 november 2020.

[appellant 1] heeft de heer [naam 10] (hierna: [naam 10] ) [bedrijf 3] ingeschakeld om onderzoek te doen naar de brand. [naam 10] heeft gekeken naar het rapport van [bedrijf 1] van 15 mei 2020 en de twee brieven van de Verzekeraars, gedateerd op 9 oktober 2020. In zijn rapport van 24 juni 2021 heeft [naam 10] kritiek geuit op het rapport van [bedrijf 1] en gaat [naam 10] in op de standpunten van de Verzekeraars, die hij weerspreekt.

Bij brieven van 5 juli 2021 heeft de gemachtigde van [appellanten] de Verzekeraars verzocht om tot dekking onder de verzekeringsovereenkomsten over te gaan.

Op 19 augustus 2021 heeft [bedrijf 1] gereageerd op het rapport van [naam 10] .

De officier van justitie heeft de strafzaak tegen [appellant 1] , als verdachte van brandstichting, geseponeerd. Bij brief van 14 oktober 2021 heeft het OM het volgende bericht aan [appellanten] :

“(…) De officier van justitie heeft uw cliënt bij brief van 1 juli 2020 laten weten dat de strafzaak tegen hem wordt geseponeerd omdat een niet-strafrechtelijk ingrijpen de voorkeur verdient (sepotcode 20).

Uw cliënt verzoekt de sepotcode te wijzigen naar [code nummer] . U stelt dat van een beleidssepot geen sprake mag en kan zijn nu uw cliënt geen betrokkenheid heeft bij enige strafbare gedraging. (…)

In het navolgende relaas zal ik uitgebreid ingaan op de bevindingen uit het onderzoek die er toe hebben geleid dat in juli 2020 aan uw cliënt is meegedeeld dat een ander dan strafrechtelijk ingrijpen de voorkeur verdient. Ik hecht daaraan omdat dat andere ingrijpen mede aanleiding is geweest tot het met een sepot beëindigen van de zaak tegen uw cliënt. Daarna zal ik u laten weten welke gevolgen dat heeft voor de te hanteren sepotcode. (…)

Beoordeling

Primaire beoordeling in juli 2020

De verdenking jegens uw cliënt betrof dat hij op of omstreeks 16 juni 2019 bewust een lamp aan heeft laten staan, waardoor de brand is ontstaan en dat hij op 17 juni 2019 een raampje heeft ingeslagen, waardoor er zuurstof bij de brand kwam.

De officier van justitie heeft toen geoordeeld dat sprake is van voldoende wettig en overtuigend bewijs, maar dat niet-strafrechtelijk ingrijpen de voorkeur verdient op basis van de volgende feiten en omstandigheden.

De conclusie van het technisch onderzoek dat is uitgevoerd in opdracht van de verzekeringsmaatschappij is dat de brand zeer waarschijnlijk is ontstaan doordat er een hallogeen tafellampje ingeschakeld is gebleven en er kennelijk in die omgeving brandbare goederen of materialen hebben gestaan. De conclusie van het contra-onderzoek was dat de vermoedelijke oorzaak een warmteoverdracht van de lamp naar de omgeving was.

Na bestudering van het dossier zijn de verklaringen van uw cliënt als ongeloofwaardig beschouwd. Zo is geconcludeerd dat de verklaringen die uw cliënt en [hof, weggelakt in de brief] hebben afgelegd over hetgeen zij de dag voorafgaand aan de brand hebben gedaan (waarbij zij een bezoek hebben gebracht aan het pand) niet overeen komen met de conclusies die kunnen worden getrokken uit de historische gegevens. Daarnaast stroken de verklaringen van uw cliënt over het tijdstip van aankomst bij het pand op 17 juni 2019 niet met tijdstippen op de camerabeelden. Ook heeft uw cliënt een ongeloofwaardige verklaring afgelegd over het inslaan van het ruitje. Hij zou het ruitje hebben ingeslagen om de brand te blussen, terwijl uit de verklaring van zijn werkneemster blijkt dat hij tegen haar had gezegd dat er ingebroken was, gelet op het ingeslagen ruitje.

Voorts heeft uw cliënt op nog een aantal punten ongeloofwaardig verklaard.

Zo heeft hij onder meer verklaard dat hij de brand niet rook omdat hij slecht ruikt en hij de vorige dag de open haard aan had staan. Uit het weerarchief van de Volkskrant blijkt dat het op zondag 16 juni 2019 tussen de 18 en 22 graden zou zijn. De verklaring dat de open haard aan stond, komt dan ook niet geloofwaardig over. Zijn verklaringen over het blussen van de brand en over de rookmelders zijn eveneens als niet geloofwaardig bestempeld.

Tot slot is nog sprake van meerdere opmerkelijkheden. Zo is onder meer het moment van de brand opmerkelijk. Het brandalarm van het bedrijf was immers nog niet aangesloten op de alarmcentrale, terwijl de verzekeringsmaatschappij eiste dat dat voor 1 juli 2019 geregeld was. Twee weken voor het verstrijken van die datum brak de brand uit, waarbij uw cliënt dus nog net voldeed aan de verzekeringsvoorwaarden.

Voorts is het opmerkelijk dat uw cliënt na het ontdekken van de brand 112 belt en meteen daarna een contra-expert heeft ingeschakeld. Bovendien is deze contra-expert eerder aanwezig dan het door de verzekeringsmaatschappij ingeschakelde [bedrijf 4] en heeft de contra-expert ook nog eens een destructief onderzoek aan de alarminstallatie uitgevoerd, waardoor [bedrijf 4] geen onderzoek aan de alarminstallatie meer kon uitvoeren.

Ook is het opmerkelijk dat de door uw cliënt ingeschakelde contra-expert - die aanwezig was bij de verhoren van [bedrijf 4] - wijzigingen heeft aangebracht in de afgelegde verklaringen, en deze ter ondertekening heeft voorgelegd aan in ieder geval de werkneemster. Deze werkneemster kon zich niet vinden in de door de contra-expert aangebracht wijzigingen en heeft geweigerd deze te tekenen.

Gelet op het bovenstaande is in 2020 geoordeeld dat sprake is van voldoende wettig en overtuigend bewijs dat uw cliënt zich schuldig heeft gemaakt aan brandstichting door op of omstreeks 16 juni 2019 – vlak voordat de verzekeringsvoorwaarden wijzigden – bewust het licht aan te laten in de archiefruimte en de brand in de vroege ochtend van 17 juni 2019 zuurstof heeft gegeven door een raam in te slaan. Daarnaast bestaat op basis van de verschillende tapgesprekken de overtuiging dat er sprake is van een frauduleus handelen, al dan niet afgestemd met de contra-expert, waardoor uw cliënt financieel gewin uit de brand zou halen.

Herbeoordeling

Naar aanleiding van de onderhavige klacht omtrent de gehanteerde sepotcode is het dossier door een interne reflectiekamer opnieuw bestudeerd. Los van het feit dat er veel tegenstrijdige verklaringen zijn afgelegd en zich opmerkelijke omstandigheden hebben voorgedaan zoals hierboven uiteengezet, dient de vraag centraal te staan of sprake is van voldoende wettig en overtuigend bewijs om van een strafbare opzettelijke brandstichting te kunnen spreken. Op basis van het reeds gedane onderzoek kunnen er verklaringen voor de brand worden aangewezen, maar kan niet met zekerheid een oorzaak van de brand worden vastgesteld. Om dit verder te onderzoeken zijn er aanvullende vragen gesteld aan het NFI. Ook de deskundigen van het NFI kunnen geen antwoord geven op de vraag of er sprake is van brandstichting.

Het voorgaande brengt mij tot de conclusie dat hoewel het politieonderzoek in combinatie met de bevindingen van de verzekeringsmaatschappij meer dan voldoende circumstantial evidence heeft opgeleverd, er voor de conclusie dat sprake is van wettig bewijs voor een opzettelijke brandstichting dan wel een aanmerkelijke mate van schuld leidende tot een brand, onvoldoende aanknopingspunten zijn. Het gedrag van uw cliënt (en van anderen in zijn belang) bij of na de brand kan mede redengevend zijn voor het aanmerken daarvan als bewijs, maar is op zich niet voldoende wettig bewijs voor het onderhavige strafbare feit.

Bovenstaande bevindingen waren van dien aard dat, gelet op het andere beoordelingskader in civilibus, de officier van justitie heeft gemeend de civielrechtelijke beoordeling en consequenties daarvan te laten prevaleren boven een eventuele toepassing van het strafrecht.

Conclusie

Naar aanleiding van hetgeen is besproken en geconcludeerd in de interne reflectie kom ik thans tot het oordeel dat er tegen uw cliënt voor een strafrechtelijk te maken verwijt onvoldoende wettig bewijs naar voren is gekomen in het politieonderzoek. De gehanteerde sepotcode wordt conform uw verzoek daartoe aangepast naar de [code nummer] . (…)”.

4. Beoordeling

De vorderingen en het oordeel van de rechtbank

Deze procedure ziet op een dekkingsgeschil. [appellanten] vorderen nakoming van de verzekeringsovereenkomsten om een verzekeringsuitkering te krijgen in verband met de ontstane brandschade. De Verzekeraars vinden om verschillende redenen dat zij niet tot uitkering hoeven over te gaan. De vorderingen van [appellanten] zijn in hoger beroep grotendeels gelijk aan die in eerste aanleg bij de rechtbank. In hoger beroep vorderen [appellanten] , samengevat weergegeven, dat het hof:

a. [geïntimeerde 1] veroordeelt om tot uitkering aan [appellant 1] over te gaan ten aanzien van zijn archiefschade voor een bedrag van € 2.289.920, vermeerderd met wettelijke rente;

b. [geïntimeerde 2] veroordeelt om tot uitkering aan [appellant 3] en/of [appellant 4] over te gaan met betrekking tot € 37.500 aan inventarisschade en € 20.995 aan bedrijfsschade, vermeerderd met wettelijke rente;

c. Nationale Nederlanden veroordeelt om tot uitkering aan [appellant 2] over te gaan in verband met de opstalschade voor een bedrag van € 91.074,45, vermeerderd met wettelijke rente;

d. de Verzekeraars hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan [appellanten] van een bedrag van € 5.680 met betrekking tot de kosten van het brandonderzoek dat is uitgevoerd door [bedrijf 2] , vermeerderd met wettelijke rente;

e. [geïntimeerde 2] veroordeelt de expertisekosten ten aanzien van de inventarisschade (€ 2.835) en bedrijfsschade (€ 3.630) te betalen aan [appellant 3] en/of [appellant 4] , vermeerderd met wettelijke rente;

f. Nationale-Nederlanden veroordeelt de expertisekosten met betrekking tot de opstalschade ten bedrage van € 3.045 te betalen aan [appellant 2] , vermeerderd met wettelijke rente;

g. [geïntimeerde 1] veroordeelt een bedrag van € 6.775 aan buitengerechtelijke incassokosten te betalen aan [appellant 1] , vermeerderd met wettelijke rente;

h. [geïntimeerde 2] veroordeelt een bedrag van € 1.395,95 aan buitengerechtelijke incassokosten te betalen aan [appellant 3] en/of [appellant 4] , vermeerderd met wettelijke rente;

i. Nationale-Nederlanden veroordeelt een bedrag € 1.685,74 aan buitengerechtelijke incassokosten te betalen aan [appellant 2] , vermeerderd met wettelijke rente;

j. de Verzekeraars ieder voor zich veroordeelt tot ongedaanmaking en het ongedaan houden van registraties van [appellanten] in externe (fraude)registers, subsidiair hen veroordeelt tot vermindering van de looptijd van de registraties, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

k. de Verzekeraars ieder voor zich veroordeelt tot ongedaanmaking en het ongedaan houden van registraties van [appellanten] in interne (fraude)registers, subsidiair hen veroordeelt tot vermindering van de looptijd van de registraties, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

l. de Verzekeraars veroordeelt tot terugbetaling van hetgeen [appellanten] ter uitvoering van het bestreden vonnis aan hen hebben betaald, vermeerderd met wettelijke rente;

m. de Verzekeraars veroordeelt in de proceskosten van het geding in beide instanties, te vermeerderen met nakosten en wettelijke rente.

De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat [appellant 1] de Verzekeraars op verschillende punten onjuiste informatie heeft verstrekt en dat hij niet heeft voldaan aan de op hem op grond van artikel 7:941 lid 2 BW rustende plicht tot het verstrekken van (juiste) inlichtingen die van belang zijn voor het beoordelen van de uitkeringsplicht van de Verzekeraars. De vraag of de Verzekeraars aan de schending van de inlichtingenplicht een verval van dekking zoals bedoeld in lid 5 van artikel 7:941 BW mochten verbinden, beantwoordt de rechtbank bevestigend. Voor die gevolgtrekking is vereist dat sprake is van opzet tot misleiding aan de zijde van [appellanten] , in die zin dat [appellant 1] de bedoeling heeft gehad om de Verzekeraars te bewegen tot het verstrekken van een uitkering die zij zonder die schending niet zouden hebben verstrekt. Die bedoeling volgt volgens de rechtbank uit verschillende door haar opgesomde omstandigheden. De rechtbank is vervolgens tot de slotsom gekomen dat het recht op uitkering onder de verzekeringen is vervallen op grond van artikel 7:941 lid 5 BW. De Verzekeraars zijn dus niet gehouden om uit te keren aan [appellanten] Gelet op dit oordeel behoeft volgens de rechtbank de vraag niet te worden behandeld of [appellanten] de schade met opzet of door roekeloosheid in de zin van artikel 7:952 BW en verschillende polisvoorwaarden hebben veroorzaakt, zoals de Verzekeraars betogen en door [appellanten] is betwist. Dit geldt ook voor de vraag wat de oorzaak van de brand is geweest. Dit alles kan volgens de rechtbank in het midden blijven. [appellanten] zijn veroordeeld in de proceskosten van het geding in eerste aanleg.

Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komen [appellanten] met zeven grieven op. Het hof zal hierna de geschilpunten tussen partijen onderwerpsgewijs bespreken.

Geen vernietiging polisvoorwaarden [geïntimeerde 1]

In het kader van grief 3 stelt [appellant 1] zich op het standpunt dat [geïntimeerde 1] haar polisvoorwaarden niet aan hem ter hand heeft gesteld. [appellant 1] stelt dat bedingen in algemene voorwaarden voor hem als consument op grond van artikel 6:233 sub b BW vernietigbaar zijn als [geïntimeerde 1] hem geen redelijke mogelijkheid heeft geboden om van de voorwaarden kennis te nemen. [appellant 1] doet om deze reden een beroep op de vernietigbaarheid van de polisvoorwaarden. Dat heeft concreet tot gevolg dat [geïntimeerde 1] volgens hem geen beroep toekomt op de artikelen 1.1 tot en met 1.6 van de polisvoorwaarden. In die bepalingen zijn diverse verplichtingen bij schade opgenomen waaraan artikel 1.6 bij niet-nakoming daarvan de sanctie van verval van het recht op uitkering verbindt.

Bij memorie van antwoord betwist [geïntimeerde 1] dat de toepasselijke polisvoorwaarden niet aan [appellant 1] ter hand zijn gesteld. Zij voert daartoe het volgende aan.De verzekering van [appellant 1] met [geïntimeerde 1] is tot stand gekomen door tussenkomst van assurantiebemiddelaar [bedrijf 5] (hierna: [bedrijf 5] ). [geïntimeerde 1] heeft een brief van 2 maart 2016 overgelegd waarmee [bedrijf 5] verschillende stukken naar het huisadres van [appellant 1] heeft verzonden. Het betreft het polisblad van de verzekering met een looptijd van 21 februari 2016 tot 21 februari 2017, de polisvoorwaarden [nummer] en een premienota. Op het genoemde polisblad staat dat de voorwaarden ‘ [bedrijf 6] ’ van toepassing zijn, die volgens [geïntimeerde 1] inhoudelijk gelijk zijn aan de in de brief genoemde polisvoorwaarden [nummer] . Verder wijst [geïntimeerde 1] erop dat de [bedrijf 6] -voorwaarden al sinds 2010 op de verzekering van toepassing zijn. De verzekering is daarna steeds onder gelijkblijvende voorwaarden geprolongeerd. Ten tijde van de brand in 2019 liep een verzekering bij [geïntimeerde 1] met een looptijd van 21 februari 2019 tot 21 februari 2020. Blijkens het toepasselijke polisblad zijn daarop van toepassing de polisvoorwaarden ‘ [bedrijf 6] ’. Deze zijn inhoudelijk gelijk aan de eerder genoemde [bedrijf 6] -voorwaarden, aldus [geïntimeerde 1] .

[appellant 1] is tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep of anderszins niet op dit betoog van [geïntimeerde 1] ingegaan. Hij heeft daarmee niet bestreden dat de verzekering met [geïntimeerde 1] zoals die liep ten tijde van de brand geen nieuwe verzekering was waarvoor een verplichting tot terhandstelling van de algemene voorwaarden van toepassing zou kunnen zijn, en evenmin dat de op deze verzekering van toepassing verklaarde polisvoorwaarden al sinds 2010 van kracht waren. Ook heeft hij niet bestreden het betoog van [geïntimeerde 1] dat de polisvoorwaarden waarop [geïntimeerde 1] zich beroept hem in ieder geval in 2016 door de tussenpersoon zijn toegezonden. Het hof moet daarom van de juistheid van het betoog van [geïntimeerde 1] uitgaan. Daarmee faalt reeds het beroep van [appellant 1] op de vernietigbaarheid van de polisvoorwaarden en daarmee het desbetreffende onderdeel van grief 3.

Verzekerd voorval en mededelingsplicht

Op grond van artikel 7:941 lid 1 BW is de verzekeringnemer of de tot uitkering gerechtigde, zodra hij van de verwezenlijking van het risico op de hoogte is, of behoort te zijn, verplicht aan de verzekeraar de verwezenlijking te melden. Dit geschiedt zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk is. Op 17 juni 2019 heeft brand gewoed in het pand waardoor schade is ontstaan aan het pand, de inventaris en de collectie c.q. het archief van [appellant 1] . Het plaatsvinden van de brand is tijdig bij de Verzekeraars gemeld.

Lid 2 van artikel 7:941 BW bepaalt dat de verzekeringnemer en de tot uitkering gerechtigde verplicht zijn binnen redelijke termijn de verzekeraar alle inlichtingen en bescheiden te verschaffen welke voor deze van belang zijn om zijn uitkeringsplicht te beoordelen. Indien de verzekeringnemer of de tot uitkering gerechtigde een verplichting als bedoeld in de leden 1 en 2 niet is nagekomen met het opzet de verzekeraar te misleiden, vervalt op grond van lid 5 van dit artikel het recht op uitkering, behoudens voor zover deze misleiding het verval van het recht op uitkering niet rechtvaardigt. De mededelingsplicht die de verzekeringnemer of de tot uitkering gerechtigde heeft op grond van artikel 7:941 lid 2 BW ziet op het verschaffen van inlichtingen en bescheiden die betrekking hebben op de verwezenlijking van het risico die heeft plaatsgevonden en de schade die daaruit voortvloeit voor de verzekeringnemer of de tot uitkering gerechtigde (HR 5 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA8774).

De hiervoor in 4.8 weergegeven maatstaf betekent voor deze zaak dat de Verzekeraars om hun uitkeringsplicht te kunnen beoordelen er belang bij hebben om juiste en volledige inlichtingen te verkrijgen met betrekking tot de omstandigheden rond de brand en de schade die [appellanten] als gevolg daarvan stellen te hebben geleden. In het kader van de mededelingsplicht is relevant dat [appellant 1] - naar eigen zeggen - de middag voor de brand en de ochtend van de ontdekking van de brand in het pand aanwezig was. Voor de Verzekeraars is onder meer van belang te weten wat [appellant 1] op die tijdstippen in het pand deed, wat hij heeft gemerkt, gezien of wellicht heeft geroken. Tot de omstandigheden rond de brand die relevant zijn voor de beoordeling van de uitkeringsplicht behoort ook de eventuele negatieve betrokkenheid van [appellant 1] bij (het ontstaan van) de brand en de ingetreden schade. De beantwoording van de vraag of [appellant 1] de mededelingsplicht van artikel 7:941 lid 2 BW heeft geschonden dient - anders dan [appellanten] menen - niet uitsluitend plaats te vinden aan de hand van de informatie die [appellant 1] (rechtstreeks) aan de Verzekeraars heeft verschaft. Daarbij kan ook andere informatie worden betrokken, zoals hetgeen hij aan de politie heeft verklaard en volgt uit de tapverslagen. Voor zover [appellant 1] van een andere inhoud of invulling van deze maatstaf uitgaat, falen zijn klachten.

Schending mededelingsplicht

Inleiding

[appellanten] bestrijden in hoger beroep het oordeel van de rechtbank dat de mededelingsplicht van artikel 7:941 lid 2 BW is geschonden en dat dit is gedaan met het opzet de Verzekeraars te misleiden. Niet ter discussie is gesteld, en tussen partijen is ook niet in geschil, dat de verklaringen en gedragingen van [appellant 1] in het kader van de toepassing van artikel 7:941 lid 2 en 5 BW kunnen worden tegengeworpen aan, of hebben te gelden als die van [appellant 2] , [appellant 3] en [appellant 4] , waarvan [appellant 1] (middellijk) bestuurder is, zodat daarvan zal worden uitgegaan.

In het navolgende zal eerst aan de orde komen of de mededelingsplicht van artikel 7:941 lid 2 BW is geschonden. Het hof is van oordeel dat dit het geval is. Daarna wordt de vraag beantwoord of deze verplichting is geschonden met het opzet de Verzekeraars te misleiden, als bedoeld in het vijfde lid van artikel 7:941 BW. Het hof beantwoordt die vraag eveneens bevestigend. Ten slotte zal worden onderzocht of zich de situatie voordoet dat de misleiding het verval van het recht op uitkering niet rechtvaardigt, als bedoeld in het vijfde lid van deze bepaling. Het hof beantwoordt die vraag ontkennend, zoals hierna zal worden toegelicht.

De middag voor de brand

[appellant 1] heeft op 24 juni 2019 aan de rapporteur van [bedrijf 1] verklaard dat hij in de middag voor de brand (16 juni 2019) samen met zijn zoon de hond heeft uitgelaten in het buitengebied van [plaats 1] . Daarna zijn zij samen naar het pand gegaan en vervolgens naar de Albert Heijn. Zij waren rond 17.50 uur bij de Albert Heijn. Aan de politie heeft [appellant 1] op 17 juli 2019 echter verklaard dat hij met zijn zoon het pand in de middag van 16 juni 2019 heeft verlaten, omdat hij last had van hartritmestoornissen en dat zij toen direct naar huis zijn gegaan. Tegenover de politie heeft [appellant 1] verder verklaard dat hij samen met zijn zoon één á anderhalf uur in het pand is geweest.

De zoon van [appellant 1] heeft aan de rapporteur van [bedrijf 1] verklaard dat hij en zijn vader in de middag voor de brand de hond in het buitengebied van [plaats 1] hebben uitgelaten. Daarna zijn zij naar het pand in [plaats 4] gegaan. Naar schatting is dit tussen 15.30 en 16.30 uur geweest. Rond 17.30 uur heeft hij samen met zijn vader het pand verlaten. Ze zijn vertrokken om nog voor 18.00 uur boodschappen te kunnen doen bij de Albert Heijn.

De politie heeft de historische gegevens van de telefoons van [appellant 1] en zijn zoon opgevraagd. Daaruit blijkt dat [appellant 1] en zijn zoon elkaar de dag voor de brand om 15.28 uur telefonisch hebben gesproken, waarbij de telefoon van zijn zoon een zendmast in [plaats 5] heeft aangestraald en de telefoon van [appellant 1] een zendmast in [plaats 1] . Ook is zijn zoon gebeld om 16.47 uur, waarbij zijn telefoon een zendmast in [plaats 6] heeft aangestraald.

Tijdens de zitting in eerste aanleg heeft [appellant 1] verklaard dat hij de dag voor de brand met zijn zoon bij het pand was vanaf 14.00 uur. In hoger beroep benadrukken [appellanten] dat [appellant 1] tegenover [bedrijf 1] heeft verklaard niet meer te weten hoe laat hij de middag voor de brand met zijn zoon naar het pand is gereden. Zoals uit zijn verklaring tegenover [bedrijf 1] blijkt, waren zij niet van plan lang in het pand te verblijven. Het is dus goed mogelijk dat zij een uur of minder in het pand zijn geweest. Daarna zijn zij naar huis gegaan, met een tussenstop bij de Albert Heijn, aldus [appellanten] Zij hebben in hoger beroep een kopie van een rekeningafschrift overgelegd. Hierop is vermeld dat op 16 juni 2019 om 17.59 uur ten laste van de rekening van [naam 2] een pinbetaling is gedaan bij de Albert Heijn in [plaats 7] voor een bedrag van € 6,05.

Uit het voorgaande volgt dat [appellant 1] verschillende verklaringen heeft afgelegd over zijn verblijf in het pand de dag voorafgaand aan de brand en ook op het punt of hij direct daarna naar huis is gegaan vanwege hartritmestoornissen of dat hij nog met zijn zoon bij de Albert Heijn is geweest.

[appellanten] hebben bij gebrek aan wetenschap de juistheid van de in 4.14 genoemde historische telefoongegevens betwist. De reden voor deze betwisting is dat zij niet het volledige dossier inclusief de complete telefoongegevens hebben verkregen en voor hen onduidelijk is welke andere gegevens er nog zijn, aldus [appellanten] Het hof acht dit geen steekhoudende betwisting van de gegevens zoals deze zijn vermeld in het proces-verbaal van bevindingen van de politie, zodat van de juistheid van die gegevens zal worden uitgaan.

Met de telefoongegevens strookt niet de verklaring van [appellant 1] tegenover [bedrijf 1] over zijn activiteiten de middag voor de brand. Met het aanstralen van de telefoon van zijn zoon om 16.47 uur van een zendmast in [plaats 6] is niet te verenigen de verklaring van [appellant 1] dat hij die middag eerst samen met zijn zoon de hond heeft uitgelaten in de buurt van [plaats 1] , zij daarna samen een bezoek aan het pand in [plaats 4] hebben gebracht en vervolgens rond 17.50 uur aankwamen bij de Albert Heijn in [plaats 7] . Als [appellant 1] immers met zijn zoon om 17.59 uur in de Albert Heijn in [plaats 7] was, zoals hij in hoger beroep stelt onder overlegging van het hiervoor genoemde rekeningafschrift, en zij daarvoor één á anderhalf uur in het pand in [plaats 4] zijn geweest, zoals [appellant 1] tegenover de politie heeft verklaard, kan de telefoon van de zoon van [appellant 1] niet om 16.47 uur een zendmast in [plaats 6] hebben aangestraald. Die onverenigbaarheid wordt niet weggenomen als wordt uitgegaan van een kort bezoek aan het pand in [plaats 4] van een uur of minder, zoals thans in hoger beroep wordt betoogd. Het ondernemen van al de door [appellant 1] genoemde activiteiten tot aan 17.50 uur is niet te verenigen met het om 16.47 uur aanstralen van de telefoon van de zoon van [appellant 1] door een zendmast in [plaats 6] . De verklaring van de zoon van [appellant 1] over de tijdstippen waarop hij met zijn vader naar het pand is gegaan en hoe lang hij daar is geweest, brengt daarin geen verandering, omdat die verklaring evenmin verenigbaar is met de historische telefoongegevens. Het voorgaande brengt het hof tot de conclusie dat de verklaringen van [appellant 1] - en ook die van zijn zoon - over de dag voor de brand niet kloppen met de beschikbare objectieve gegevens. De suggestie van [appellant 1] dat er ook (objectief) bewijsmateriaal voorhanden is dat in het voordeel van hem uitvalt, maar niet is overgelegd, passeert het hof bij gebreke van een concrete aanwijzing van het bestaan van dergelijk bewijsmateriaal.

De ochtend van de brand

Tijdstip aankomst

[appellant 1] heeft aan de rapporteur van [bedrijf 1] verklaard dat hij de ochtend van de brand omstreeks 06.30 - 06.45 uur zijn auto heeft geparkeerd voor de overheaddeur aan de voorzijde van het pand, om wat boeken in te laden, omdat hij die ochtend een klant zou bezoeken. Tegenover de politie heeft hij zijn aankomsttijdstip nader gespecificeerd door te verklaren dat hij om 06.00 uur nog het nieuws had gekeken en er dan 20 minuten over doet om op het bedrijf te komen.

Naast het pand waarin de brand heeft gewoed, is een autobedrijf gevestigd dat een camera heeft gericht op de [straat 2] . Uit de door de politie opgevraagde camerabeelden blijkt dat de auto van [appellant 1] al om 06.11 uur is langsgereden. Om 06.49 uur komt [naam 3] aangereden.

Uit het voorgaande volgt dat het tijdstip waarop [appellant 1] verklaarde te zijn aangekomen bij het pand niet overeenstemt met de camerabeelden. De opmerking van [appellanten] in hoger beroep dat onduidelijk is of het tijdstip op de camerabeelden juist is, omdat een tijdstip onjuist kan zijn ingesteld in het camerasysteem, wordt door het hof gepasseerd. De enkele suggestie dat iets mogelijk onjuist is ingesteld, is geen voldoende gemotiveerde betwisting van het proces-verbaal van bevindingen van de politie. Daar komt bij dat, volgens de eigen verklaring van [appellant 1] , [naam 3] rond 06.50 uur bij het pand arriveerde, hetgeen correspondeert met het tijdstip op de camerabeelden.

[appellanten] benadrukken in hoger beroep dat [appellant 1] tegenover [bedrijf 1] heeft verklaard dat hij ‘omstreeks’ 06.30 - 06.45 uur zijn auto had geparkeerd voor de overheaddeur en daarom niet onjuist heeft verklaard over het tijdstip van aankomst. ‘Omstreeks’ houdt een tijdstip bij benadering in waarmee volgens [appellanten] het tijdstip van 06.11 uur te verenigen is. Het hof volgt hen daarin niet. Tegenover de politie heeft [appellant 1] immers ook verklaard dat hij thuis om 06.00 uur het nieuws had gekeken en vervolgens naar het pand is gegaan en dat hij over de reis ongeveer 20 minuten deed. Dit samenstel van verklaringen klopt niet met een aankomsttijd bij het pand van 06.11 uur. In hoger beroep stellen [appellanten] weliswaar dat [appellant 1] slechts heeft bedoeld dat hij het journaal heeft gekeken en niet bedoeld heeft te zeggen dat hij om 06.00 uur het journaal had gekeken, en daarna naar het pand is gereden, maar het hof volgt hen daarin niet. [appellant 1] heeft tegenover de politie specifiek 06.00 uur genoemd als tijdstip van het nieuws dat hij die ochtend had gekeken en hij heeft verder een reisduur van circa 20 minuten genoemd ter onderbouwing van zijn gestelde aankomst ‘omstreeks’ 06.30 - 06.45 uur. In lijn daarmee heeft hij tegenover de politie ook verklaard dat hij na zijn aankomst zijn auto vóór de loods heeft geparkeerd en spullen in de auto ging laden en dat al na enkele minuten (rond 06.50 uur) [naam 3] aankwam. Al deze verklaringen wijken wezenlijk af van hetgeen volgt uit de camerabeelden. Daarop is zichtbaar dat [appellant 1] tussen 06.37 en 06.47 uur een aantal keren het pand in- en uitloopt. Om 06.47 uur parkeert [appellant 1] zijn auto achteruit voor de loods van het pand.

Daarbij komt dat [appellant 1] wisselend heeft verklaard over zijn activiteiten die ochtend, terwijl inmiddels voldoende vast staat dat [appellant 1] al geruime tijd (vanaf 06.11 uur) aanwezig was voordat [naam 3] om 06.49 uur arriveerde. Bij memorie van grieven wordt de stelling ingenomen dat [appellant 1] tussen 06.11 en 06.37 uur boeken en tijdschriften bij elkaar heeft gezocht, in een bak heeft gedaan en in de auto heeft gezet. Bij de mondelinge behandeling in hoger beroep is vervolgens namens [appellant 1] een andere lezing van de feiten gegeven: “ is kennelijk rond 06.11 uur gearriveerd (welk tijdstip is afgeleid uit de camerabeelden). Omdat hij de hond bij zich had, kan [appellant 1] zich voorstellen dat hij de hond even uitgelaten heeft. Zeker weten doet hij dat niet, omdat het een alledaagse bezigheid is waar men niet direct bij stilstaat.” Hoe deze verklaring zich verhoudt tot hetgeen eerder is verklaard en tot hetgeen volgt uit de camerabeelden, hebben [appellanten] niet nader toegelicht. Het voorgaande brengt het hof tot de conclusie dat de verklaringen van [appellant 1] over het tijdstip van zijn aankomst bij het pand de ochtend van de brand niet overeenstemmen met de beschikbare objectieve gegevens. Tevens heeft hij wisselende verklaringen afgelegd over wat hij die ochtend heeft gedaan tussen 06.11 en 06.49 uur.

Ontdekking brand en gat in de ruit

[appellant 1] heeft aan de rapporteur van [bedrijf 1] over de ochtend van de brand verklaard dat hij, toen hij aankwam bij het pand, geen brandlucht heeft geroken. Hij is de hal binnengelopen en heeft niets waargenomen. Hij verklaarde verder dat zijn medewerkster [naam 3] hem, toen zij om 06.49 uur bij het pand aankwam, erop wees dat er rook kwam uit het ventilatierooster van één van de ruiten van de archiefruimte. [appellant 1] heeft verklaard dat hij vervolgens een pedaal-stuurslot heeft gepakt en daarmee een gat in het rechter achterraam van de archiefruimte heeft gemaakt. Toen hij het rolluik aan de binnenzijde van het raam niet omhoog kreeg, heeft [appellant 1] de brandweer gebeld. Ook tegenover de politie heeft [appellant 1] verklaard dat hij het gat in de ruit heeft gemaakt en dat hij dit heeft gedaan nadat [naam 3] hem op de brand had gewezen. Volgens [appellant 1] had hij zelf de brandlucht niet opgemerkt omdat hij die avond daarvoor (dus op 16 juni 2019) de openhaard had aangehad.

[naam 3] heeft op haar beurt aan de rapporteur van [bedrijf 1] verklaard dat, toen zij die ochtend aan kwam rijden, zij een brandlucht rook. Nadat zij haar auto had geparkeerd, kwam [appellant 1] haar tegemoet lopen en wees hij haar op een gat in de ruit. Zij zag vanuit de ruit een rookpluim komen, zag dat de randen van de lamellen van de (interne) rolluiken zwart verkleurd waren en hoorde het binnen knetteren. Zij vroeg [appellant 1] of hij de brandweer zou bellen of dat zij dat zou doen, waarop [appellant 1] richting de voorkant van het pand liep en de brandweer heeft gebeld. [naam 3] heeft tegenover de politie een gelijkluidende verklaring afgelegd als tegenover de rapporteur van [bedrijf 1] . In aanvulling daarop heeft [naam 3] verklaard dat [appellant 1] over het gat in de ruit tegen haar heeft gezegd: “Het lijkt alsof er ingebroken is.” Volgens [naam 3] suggereerde [appellant 1] dat een inbraak had plaatsgevonden. Uit het verslag van de schade-expert van [geïntimeerden] blijkt dat [appellant 1] ook aan salvagecoördinator [naam 1] heeft verklaard dat hij in eerste instantie dacht aan een inbraak. Dit terwijl (intussen) vast staat dat [appellant 1] het gat in de ruit zelf heeft gemaakt, zoals hierna nog uitvoeriger aan de orde zal komen. In hoger beroep voert [appellant 1] aan dat ten aanzien van de (suggestie van) inbraak “hooguit sprake is van een misverstand”. Dit tast het gegeven dat voormelde uitspraken zijn gedaan echter niet aan.

Ter zitting in eerste aanleg heeft [appellant 1] over het gat in het raam verklaard: “Ik heb veel moeite gedaan om het gat te maken”. In zijn verklaring aan [bedrijf 1] heeft [appellant 1] concreet het volgende verteld over het maken van het gat in de ruit:

“lk heb boeken en tijdschriften bijeen gezocht en in een bak gedaan en deze bak in de auto gebracht. Toen ik zo bezig was, zag ik werkneemster [naam 9] in haar [auto] langs het bedrijf rijden en linksaf de inrit naast het kantoor oprijden om - zoals gewoonlijk - achter te parkeren. lk ben hierop voorlangs via de inrit naar haar toegelopen. Waarom ik naar haar toe liep, kan ik mij niet meer herinneren. Toen ik achter het kantoor kwam, wees Chantal mij op het feit dat er rook uit het ventilatierooster van één van de ruiten van de archiefruimte kwam. De ruiten in de buitengevel aan de achterzijde zijn aan de binnenzijde voorzien van rolluiken. De laatste ruit in de zijgevel is aan de buitenzijde voorzien van een rolluik. Die ramen behoren alle tot de archiefruimte 80.3. De overige ramen op de benedenverdieping zijn voorzien van traliewerk. Toen ik de zwarte rook vanuit het ventilatierooster naar buiten zag komen, ben ik om het gebouw heen naar de open overheaddeur gerend en heb vanuit de bedrijfshal een pedaal-stuurslot gepakt. Met behulp van dit pedaal-stuurslot heb ik een gat in het rechter achterraam van het archief 80.3 geslagen om te proberen dit raam te openen, door de onderste raamhendel omhoog te duwen. Dit is mij gelukt, maar ik kon het rolluik niet omhoog krijgen. U vraagt mij waarom ik niet eerst van binnen polshoogte heb genomen. lk weet dat niet, maar vrijwel zeker omdat daar een

brand woedde. Hierop heb ik 112 gebeld en de brand gemeld. Ondertussen heeft Chantal haar auto naar de weg gereden en daar geparkeerd. lk heb mijn auto eveneens weggezet.”

Vast staat dat de brand om 06.54 uur (meldingstijdstip 112) bij de brandweer is gemeld. Uitgaande van het tijdstip van 06.49 uur waarop [naam 3] bij het pand aankwam, is de brand dus vijf minuten na haar aankomst gemeld bij de brandweer. Dit tijdsverloop strookt met de verklaring van [naam 3] dat [appellant 1] [naam 3] na haar aankomst vanuit de loods tegemoet kwam lopen naar de achterzijde van het pand, dat zij daar rookontwikkeling zagen en overlegden wat zij zouden doen, [appellant 1] vervolgens is teruggelopen naar de voorzijde van het pand, terwijl zij de auto wegzette, en hij de brandweer heeft gebeld. Het hof is met de Verzekeraars van oordeel dat het onaannemelijk is dat het in een tijdsbestek van vijf minuten is gegaan zoals [appellant 1] heeft verklaard, namelijk dat hij na de aankomst van [naam 3] naar de achterzijde van het pand is gelopen, zij daar rookontwikkeling hebben geconstateerd, hij om het gebouw heen is gerend naar de voorzijde om daar naar binnen te gaan, daar een pedaal-stuurslot heeft gepakt, terug is gegaan naar de achterzijde van het pand, vervolgens met veel moeite een gat in het glas heeft geslagen, door het gat in het raam een raamhendel omhoog heeft weten te duwen, vergeefs heeft geprobeerd het rolluik te openen en vervolgens de brandweer heeft gebeld. Zijn verklaring strookt ook overigens niet met de verklaring van [naam 3] . Haar verklaring komt erop neer dat het gat in het raam er al was toen zij arriveerde. Niet valt in te zien waarom [naam 3] daarover onjuist zou verklaren.

Verder is van belang dat de Verzekeraars zich op grond van de fotomap van [bedrijf 1] op het standpunt hebben gesteld dat onjuist is de verklaring van [appellant 1] dat hij heeft gezien dat er rook bij de ventilatieroosters van de ruiten van de archiefruimte naar buiten kwam. Op de foto’s van de binnen- en buitenzijde van het pand zijn volgens hen op die plaats namelijk geen ventilatiesleuven te zien. [appellanten] zijn daarop vervolgens niet ingegaan, zodat op dit punt van de juistheid van het standpunt van de Verzekeraars zal worden uitgegaan.

Als er ter plaatse van de ruiten van de archiefruimte geen ventilatiesleuven waren, moet de door [naam 3] en [appellant 1] geconstateerde rookontwikkeling op andere wijze naar buiten zijn gekomen. Dat strookt met de verklaring van [naam 3] dat er rook door een gat in het raam naar buiten kwam.

Dat het gat zou zijn gemaakt binnen het tijdsbestek van vijf minuten tussen de aankomst van [naam 3] bij het pand en de melding bij de brandweer zoals [appellanten] stellen, is niet geloofwaardig, zoals hiervoor is toegelicht. Integendeel. Uitgaande van hetgeen hiervoor in 4.27 - 4.29 aan de orde is gekomen, neemt het hof bij de verdere beoordeling als vaststaand aan dat het gat in het raam er al was toen [naam 3] ter plaatse arriveerde, zoals door [naam 3] is verklaard.

Verder is het volgende van belang. Nu vast staat dat het gat in de ruit er al was toen [naam 3] arriveerde, en dat [appellant 1] het gat zelf heeft gemaakt, moet [appellant 1] dat gat (uiterlijk) eerder die ochtend al hebben gemaakt. Dat stemt overeen met een afgetapt gesprek waaruit kan worden afgeleid dat [appellant 1] de brand al had ontdekt voordat [naam 3] er was. Dat laatste heeft [appellant 1] ter zitting in eerste aanleg ook verklaard, nadat hij eerst tijdens diezelfde zitting had verklaard dat hij de brand niet eerder had ontdekt:

“Ik heb de brand niet eerder ontdekt. Ik heb dingen anders beleefd dan Chantal ( [naam 3] , hof) (mijn medewerkster).

(…)

Over het gat in het raam. Dat heb ik zelf ook niet goed begrepen. Ik had de hond van mijn

dochter bij me. Ik ben waarschijnlijk niet de hele tijd binnen geweest. Ik denk dat ik ook

met de hond heb gewandeld. Volgens mij heb ik de brand gezien voordat Chantal er was. Ik heb gedacht dat ik geen binnendeur moest openen, want er kon een steekvlam uitkomen. Ik dacht ik ga het proberen te blussen van achteren. Ik heb veel moeite gedaan om het gat te maken. Dat is niet gedaan om meer zuurstof in de ruimte te brengen, maar om de brand juist te blussen. Achteraf was het niet logisch. Ik had de brandweer moeten bellen en zelf niets moeten doen.”

Met het ontdekken van de brand en het - naar zijn zeggen - vervolgens ondernemen van een poging de brand via een gat in de ruit te blussen, is niet verenigbaar dat [appellant 1] blijkens de camerabeelden tussen 06.37 en 06.47 uur - dus het tijdsbestek tot aan de komst van [naam 3] om 06.49 uur - een aantal keren het pand in en uit is gelopen om naar zijn zeggen spullen in de auto te laden, en het tijdstip van 06.54 uur waarop de brand pas bij de brandweer is gemeld. Dat roept de vraag op wanneer [appellant 1] de brand heeft ontdekt en wanneer hij vervolgens het gat in het raam heeft gemaakt en hoeveel tijd is gelegen tussen het maken van het gat en het bellen van de brandweer. Op deze essentiële punten, het ontdekken van de brand en het ontstaan van het gat in het raam, heeft [appellant 1] wisselende, tegenstrijdige, en onjuiste verklaringen afgelegd. Dit betreft essentiële punten, temeer omdat [appellant 1] onvoldoende heeft weersproken dat er tijd is verstreken tussen het moment dat hij de brand had ontdekt en het moment dat hij uiteindelijk de brandweer belde. In elk geval in die periode is [appellant 1] op negatieve wijze betrokken geweest bij de brand en de schade die daaruit is voortgevloeid. Hierbij heeft het hof mede in ogenschouw genomen dat ten tijde van de brand delen van de archiefstukken in open kunststofbakken waren opgeslagen en dat van de brandwerende kasten, waarin eveneens archiefstukken lagen, de deuren niet gesloten waren. [appellant 1] was van die situatie op de hoogte omdat dit - naar eigen zeggen van [appellant 1] - gebruikelijk was binnen zijn bedrijf. Zelfs daarin zag hij kennelijk geen aanleiding direct de brandweer te bellen toen hij de brand naar zijn zeggen had ontdekt. In plaats daarvan is hij daartoe pas overgegaan nadat [naam 3] om 06.49 uur was gearriveerd.

Reden van de (vroege) aankomst

[appellant 1] heeft tegenover [bedrijf 1] verklaard dat hij op 17 juni 2019 naar het pand is gereden om boeken in te laden omdat hij die ochtend een klant zou bezoeken.

De politie heeft [appellant 1] op 17 juli 2019, een maand na de brand, gevraagd met wie hij op 17 juni 2019 een afspraak had. Hij heeft verklaard dat hij naar de drukker in [plaats 8] wilde gaan en dat hij rond 09.00 à 10.00 uur een afspraak had. Een getapt gesprek van diezelfde dag gaat over het verhoor. [appellant 1] zegt daarin dat de politie wil weten waar hij heen wilde gaan die dag en dat hij nog iets moet bedenken.

In de memorie van grieven stellen [appellanten] dat het onjuist is dat [appellant 1] nog iets moest bedenken, omdat de politie op of omstreeks de dag van de brand al was voorzien van een lijst met personen die [appellant 1] op de dag van de brand wilde gaan bezoeken. [appellant 1] wilde als eerste [naam 11] uit [plaats 9] bezoeken. Daarna wilde [appellant 1] naar [naam 12] uit [plaats 10] gaan. Op de morgen van de brand zou zij [appellant 1] nog hebben gebeld. Als derde wilde [appellant 1] die dag [naam 13] van het [bedrijf 7] bezoeken, aldus [appellanten]

De Verzekeraars bestrijden de juistheid van deze stellingen in de memorie van grieven. Zij wijzen erop dat [appellanten] niet hebben toegelicht hoe het kan dat de politie een maand na de brand heeft gevraagd naar de plannen van [appellant 1] die dag, als de politie al was voorzien van drie namen en ook niet hoe dit standpunt zich verhoudt tot zijn eerdere verklaring dat hij naar de drukker in [plaats 8] wilde gaan.

Namens [appellanten] is ter zitting in hoger beroep verklaard dat de werkwijze van [appellant 1] is dat hij geen stipte afspraken maakt. Wel had hij gepland dat hij [naam 11] , [naam 12] en [naam 13] ging bezoeken. Er is geen afdoende uitleg gegeven voor het feit dat deze verklaring afwijkt van hetgeen op 17 juli 2019 tegenover de politie is verklaard. Het hof stelt vast dat [appellant 1] wisselende verklaringen heeft afgelegd over zijn plannen de dag van de brand en daarvoor geen verklaring heeft gegeven.

Inlichtingen over preventieve maatregelen

Op de gebouwenverzekering die [appellant 2] als eigenaar van het pand heeft gesloten met Nationale-Nederlanden zijn zogenoemde garantieclausules van toepassing. Het betreft clausules die zien op het aanwezig hebben, onderhouden en laten controleren van blusmiddelen en een verplichting om de elektrische installatie te onderhouden en periodiek te laten inspecteren.

Na het plaatsvinden van de eerste brand op 6 maart 2016 zijn de Verzekeraars met [appellant 1] in gesprek gegaan over het doorvoeren van (verdere) maatregelen ter voorkoming van schade. Er is een inspectie uitgevoerd waaruit aanbevelingen kwamen op het gebied van inbraak- en brandpreventie. De assurantietussenpersoon heeft op 5 april 2019 het inspectierapport met daarin de aanbevelingen aan de Verzekeraars gestuurd. Bepaald is dat de aanbevelingen door [appellanten] dienden te worden uitgevoerd, met als deadline 1 juli 2019. De alarminstallatie diende (weer) te worden voorzien van een doormelding naar een alarmcentrale en uitgebreid te worden met een aantal extra inbraak-/brandmelders. De elektrische installatie diende geïnspecteerd te worden en een gasheater moest buiten gebruik worden gesteld.

De brand is ontstaan twee weken voordat de preventieve maatregelen hadden moeten zijn uitgevoerd. Ten tijde van de brand waren deze nog niet uitgevoerd. Omdat de deadline ten tijde van de brand nog niet was verstreken, verbinden de Verzekeraars daaraan als zodanig geen dekkingsconsequenties. Wel beroept Nationale-Nederlanden zich op de schending van de hiervoor genoemde garantieclausules die al wel van toepassing waren ten tijde van de brand.

Hoewel de preventieve maatregelen nog niet waren uitgevoerd, heeft [appellant 1] tegen [bedrijf 1] gezegd dat hij voor de brand al wel contact had gezocht met bedrijven om de preventieve eisen uit te voeren. [bedrijf 1] heeft [appellant 1] vervolgens gevraagd daarover gegevens te verstrekken. [appellant 1] heeft daarop een offerte verstrekt van [bedrijf 8] van 27 juni 2019; dat is twee dagen nadat de rapporteur van [bedrijf 1] daarom heeft verzocht. Deze offerte heeft betrekking op de kosten van het updaten en doorschakelen van de alarminstallatie. De offerte vermeldt een aanvraagdatum van 20 maart 2019, maar de offerte is gedateerd van na de brand en daarin wordt ook verwezen naar het plaatsvinden van de brand. De Verzekeraars vinden dit opmerkelijk, vooral omdat een aanvraagdatum van 20 maart 2019 voor het aanpassen van de alarminstallatie niet strookt met het feit dat [appellant 1] pas in april 2019 is meegedeeld welke preventieve maatregelen dienden te worden uitgevoerd.

Verder heeft [appellant 1] een brief van [bedrijf 9] aan [bedrijf 1] verstrekt die betrekking heeft op het afkoppelen van de gasheater. De brief is gedateerd op 16 juni 2019, maar uit het onderzoek van [bedrijf 1] is gebleken dat deze brief is opgesteld overeenkomstig een tekst van [appellant 1] die hij op 1 juli 2019 aan dit installatiebedrijf heeft gestuurd. De tekst van de desbetreffende e-mail van [appellant 1] luidt:

“Goedemorgen [naam 14] , wil je de volgende tekst op je brief papier of mailen:

Geachte heer [appellant 1] , beste [appellant 1] ,

Door drukte heb ik geen tijd gehad om in de week van 10-14 juni de hal van uw bedrijf conform

de eisen van de veiligheid aan te passen. Excuses hiervoor maar kom zo snel mogelijk alsnog.

Met vr.gr.

[naam 14]

Deze tekst stuur ik naar de verzekering dat vragen ze aan mij.

Bedankt en tot binnenkort.

Gr.

[appellant 1] ”

In de genoemde brief van [bedrijf 9] van 16 juni 2019 staat:

“Betreft: Werkzaamheden [straat 1] te [plaats 4]

Geachte heer [appellant 1]

Door drukte heb ik geen tijd gehad om in de week van10-14 juni de hal van uw bedrijf conform de eisen van de veiligheid aan te passen. Excuses hiervoor maar kom zo snel mogelijk alsnog.

Met vriendelijke groet.

[naam 15] ”

De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat [appellant 1] tegenover [bedrijf 1] in strijd met de waarheid heeft verklaard dat hij al voor de brand contact had opgenomen met bedrijven om de door de Verzekeraars voorgeschreven preventieve maatregelen door te voeren. De door [appellant 1] overgelegde offerte verwees naar een aanvraagdatum vóór de brand terwijl bij de op de offerte genoemde werkzaamheden werd verwezen naar de brand. Daarnaast heeft [appellant 1] volgens de rechtbank een installatiebedrijf opdracht gegeven om een geantedateerde brief te versturen met een door hem geciteerde tekst.

[appellanten] bestrijden dit oordeel in hoger beroep. Zijn verwijzen naar een overgelegde e-mail van [bedrijf 8] waaruit zou volgen dat een medewerker van dit bedrijf al op 20 maart 2019 voor het eerst bij [appellant 1] langs is geweest voor een offerte. De laatste keer dat hij langs is geweest stond niet in zijn agenda.

Op hun beurt wijzen de Verzekeraars in hoger beroep erop dat [appellanten] geen verklaring hebben gegeven voor het feit dat de offerte voor het aanpassen van het alarmsysteem een aanvraagdatum heeft van 20 maart 2019, terwijl de preventieve eisen [appellant 1] , ook naar zijn eigen zeggen, pas medio april 2019 zijn meegedeeld. Ook wordt volgens de Verzekeraars door [appellanten] niet duidelijk gemaakt waarom er niet al lang een offerte was opgemaakt als deze op 20 maart 2019 zou zijn aangevraagd. In dit verband wijzen de Verzekeraars verder erop dat [appellant 1] ter zitting in eerste aanleg heeft verklaard dat twee keer een medewerker van [bedrijf 8] langs is geweest, maar er toen geen offerte is opgemaakt. In de in hoger beroep overgelegde e-mail van [bedrijf 8] - die overigens geen gegevens van de afzender bevat en ongedateerd is - wordt evenwel gesproken over ‘aangepaste offerte’. Dat zou betekenen dat er al wel eerder een offerte was opgemaakt. [appellanten] hebben evenwel geen originele offerte met de Verzekeraars gedeeld en dit ook overigens niet voldoende opgehelderd.

Ten aanzien van de geantedateerde brief die [bedrijf 9] heeft gestuurd, voeren [appellanten] in hoger beroep aan dat [appellant 1] slechts een voorbeeldtekst heeft opgesteld voor een brief, maar dat niet gevraagd is de brief te antedateren.

De Verzekeraars betwisten dat [bedrijf 9] uit zichzelf de datum van de brief zou hebben aangepast en benadrukken verder dat los van het antwoord op de vraag of [appellant 1] daarom zou hebben verzocht, [appellant 1] in ieder geval een geantedateerde brief aan de Verzekeraars heeft gegeven en geen openheid heeft gegeven over de totstandkoming daarvan.

Op grond van het voorgaande is het hof met de Verzekeraars van oordeel dat de door [appellanten] geschetste wijze waarop de offerte van [bedrijf 8] tot stand is gekomen de nodige vragen oproept. Met name is de datum van 20 maart 2019 waarop de offerte zou zijn aangevraagd niet te verenigen met het gegeven (zie 4.39) dat [appellanten] niet eerder dan in de loop van april 2019 via de assurantietussenpersoon zijn geïnformeerd over de te nemen preventieve maatregelen. [appellanten] hebben daarvoor geen afdoende verklaring gegeven, zodat het hof - met de rechtbank - ervan uitgaat dat [appellant 1] in strijd met de waarheid heeft verklaard al voor de brand contact te hebben opgenomen met dit bedrijf om de door de Verzekeraars voorgeschreven preventieve maatregelen door te voeren. Verder stelt het hof vast dat [appellant 1] aan [bedrijf 1] een brief van [bedrijf 9] heeft verstrekt waarvan hijzelf de tekst heeft aangeleverd en waarover hij toen geen openheid van zaken heeft gegeven. Het betreft een brief die geantedateerd is en die aan [bedrijf 1] is gegeven met de bedoeling om deze voor echt en authentiek te laten doorgaan.

Conclusie: schending mededelingsplicht

Al het voorgaande leidt tot de conclusie - kort samengevat weergegeven - dat [appellant 1] ten aanzien van zijn activiteiten op de dag voor de brand, het ontdekken van de brand en het ontstaan van het gat in het raam uiteenlopende verklaringen heeft afgelegd, en dat moet worden vastgesteld dat zijn verklaringen niet verenigbaar zijn met andere, objectieve feiten en omstandigheden. Ter zitting in eerste aanleg is door [appellant 1] ook erkend dat er discrepanties zitten tussen zijn verklaringen. Verder is hiervoor vastgesteld dat [appellant 1] [bedrijf 1] een offerte heeft gegeven waarbij geen afdoende verklaring is gegeven voor de opmerkelijke aanvraagdatum. Ook heeft [appellant 1] een geantedateerde brief aan [bedrijf 1] verstrekt. De tekst daarvan had hij zelf aangeleverd en deze brief is verstrekt met de bedoeling om deze voor echt en authentiek te laten doorgaan. De indruk is gewekt dat [appellant 1] al was gevorderd met de opvolging van de preventie-eisen, terwijl dat niet het geval was. Dit alles brengt het hof reeds tot de conclusie dat [appellant 1] de mededelingsplicht van artikel 7:941 lid 2 BW heeft geschonden. De verdere schendingen van de mededelingsplicht die de Verzekeraars signaleren, behoeven gelet op het voorgaande geen bespreking.

Opzet tot misleiding

Uitgangspunt is (zie 4.9) dat de Verzekeraars om hun uitkeringsplicht te kunnen beoordelen er belang bij hebben om juiste en volledige inlichtingen te verkrijgen over de verwezenlijking van het risico die heeft plaatsgevonden en de schade die daaruit voortvloeit. Hiervoor is toegelicht dat [appellant 1] de in artikel 7:941 lid 2 BW bedoelde mededelingsplicht heeft geschonden. Bij de beantwoording van de nu te behandelen vraag of [appellant 1] met de schending van deze mededelingsplicht het opzet heeft gehad de Verzekeraars te misleiden, dient te worden onderzocht of daarbij de bedoeling heeft voorgezeten de Verzekeraars te bewegen tot het verstrekken van een uitkering die zij zonder die schending niet zouden hebben verstrekt (vgl. HR 21 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:311).

Het hof stelt voorop dat tussen partijen op zichzelf niet in geschil is dat door het verzwijgen van negatieve betrokkenheid bij de brand, een uitkering kan worden verkregen waarop geen recht bestaat. Anders dan [appellanten] betogen, dient de vraag of een dergelijke situatie aan de orde is niet te worden beantwoord aan de hand van artikel 3.3 van de verzekeringsvoorwaarden van [geïntimeerde 1] . Deze verzekeringsvoorwaarde bevat een uitsluiting voor schade veroorzaakt door frauduleus handelen, oneerlijkheid of enig misdrijf gepleegd door een verzekerde. Het gaat bij het beroep van de Verzekeraars op artikel 7:941 BW niet om fraude, oneerlijkheid of een misdrijf waardoor schade is veroorzaakt, maar om de vraag of de verplichting om inlichtingen te verschaffen - ook over een eventuele negatieve betrokkenheid bij de brand - niet is nagekomen met het opzet de Verzekeraars te misleiden. Bij de beantwoording van die vraag neemt het hof in aanmerking dat, zoals hiervoor is toegelicht, voldoende is komen vast te staan dat [appellant 1] op negatieve wijze betrokken is geweest bij de brand in (in elk geval) de periode die is gelegen tussen het ontdekken van de brand en het bellen van de brandweer. Tegen de achtergrond van al hetgeen verder in dit arrest is overwogen, in onderling verband en samenhang bezien, is naar het oordeel van het hof in de gegeven omstandigheden slechts de conclusie gerechtvaardigd dat [appellant 1] willens en wetens in strijd met de waarheid heeft verklaard om het onderzoek van de Verzekeraars naar de toedracht van de brand en de mogelijkheid dat hij daarbij zelf negatief was betrokken, te belemmeren, met geen andere bedoeling dan de Verzekeraars te bewegen tot het verstrekken van een uitkering die zij zonder die schending niet zouden hebben verstrekt. Gelet op het voorgaande komt het hof dus tot hetzelfde oordeel als de rechtbank, te weten dat [appellant 1] de verplichting van het tweede lid van artikel 7:941 BW heeft geschonden met het opzet de Verzekeraars te misleiden, als bedoeld in het vijfde lid van deze bepaling. Deze opzet tot misleiding leidt tot verval van het recht op uitkering van [appellanten] Bij deze stand van zaken kan in het midden blijven of [appellant 1] , zoals [geïntimeerden] stellen, (ook) in strijd met de waarheid heeft verklaard over het aantal tekeningen dat bij de brand verloren zou zijn gegaan.

De uitzondering van lid 5

[appellanten] hebben zich beroepen op de uitzondering van lid 5 van artikel 7:941 BW: “behoudens voor zover deze misleiding het verval van het recht op uitkering niet rechtvaardigt”. Blijkens de totstandkomingsgeschiedenis wordt de rechter bij toepassing van deze bepaling de mogelijkheid gegeven met de bijzonderheden van elk geval rekening te houden. Als uitgangspunt moet gelden dat gezien de opzet tot misleiding, alleen in bijzondere omstandigheden aangenomen kan worden dat het (gehele) verval van de uitkering niet gerechtvaardigd is. De rechtvaardiging daarvoor is gelegen in het vertrouwenskarakter van de verzekeringsovereenkomst, in dit verband tot uitdrukking komend in de omstandigheid dat de verzekeraar na de verwezenlijking van het risico in sterke mate afhankelijk is van inlichtingen en bescheiden van de verzekeringnemer of de tot uitkering gerechtigde, waarvan hij de juistheid niet altijd kan controleren (Hoge Raad 6 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1103).

Voldoende is komen vast te staan dat [appellant 1] op negatieve wijze betrokken is geweest bij de brand in (in elk geval) de periode die is gelegen tussen het ontdekken van de brand en het bellen van de brandweer. Hij heeft - kort gezegd - het onderzoek van de Verzekeraars belemmerd naar de toedracht van de brand en de mogelijkheid dat hij daarbij zelf negatief betrokken was. Mede in het licht daarvan hebben [appellanten] geen feiten of omstandigheden gesteld die de conclusie rechtvaardigen dat de misleiding het verval van het recht op uitkering niet rechtvaardigt, als bedoeld in het vijfde lid van artikel 7:941 BW.

Tussenconclusie: verval van het recht op uitkering

Met het voorgaande kunnen de eerste drie grieven van [appellanten] niet leiden tot vernietiging van het bestreden vonnis. Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat gelet op het verval van het recht op uitkering op grond van artikel 7:941 lid 5 BW de oorzaak van de brand niet verder hoeft te worden besproken. Grief 4 dient daarmee te worden verworpen.

Garantieclausules Nationale-Nederlanden

Na de brand heeft Nationale-Nederlanden [appellant 1] gevraagd of de in de gebouwenverzekering opgenomen garantieclausules waren nageleefd. Gevraagd is naar de aanwezigheid en werkvaardige staat van blusmiddelen en tevens of de elektrische installatie voldeed aan NEN 1010 en werd onderhouden overeenkomstig NEN- EN 50110 (NEN 3140). Ook zijn het onderhoudscontract van de blusmiddelen opgevraagd en de laatste data waarop de blusmiddelen zijn onderhouden. Tevens is gevraagd om een afschrift van het service/onderhoudsrapport. Al deze vragen zijn door [appellanten] niet beantwoord.

Bij de conclusie van antwoord in eerste aanleg heeft Nationale-Nederlanden een voorlopig dekkingsstandpunt ingenomen in afwachting van de beantwoording van onder meer de hiervoor genoemde vragen. Bij gebreke van een antwoord heeft zij bij de mondelinge behandeling in eerste aanleg een definitief standpunt ingenomen, namelijk dat zij is ontheven van de verplichting tot schadevergoeding omdat niet is voldaan aan een of meer in de verzekering opgenomen garanties zoals is bepaald in artikel 1 van het clausuleblad.

Het hof stelt vast dat [appellanten] zowel voorafgaand aan dit geding als in rechte de vragen van Nationale-Nederlanden over de naleving van de garantieclausules niet hebben beantwoord. Niet is gemotiveerd bestreden dat Nationale-Nederlanden bij die stand van zaken een beroep toekomt op de niet-naleving van de garantieclausules en de daarbij behorende sanctie kan inroepen van de ontheffing van de verplichting tot schadevergoeding. Dit leidt tot de conclusie dat Nationale-Nederlanden (ook) om deze reden niet tot uitkering is gehouden aan [appellant 2] .

Registratie in registers

[appellanten] vorderen dat de Verzekeraars worden veroordeeld - samengevat weergegeven - de registraties van hun persoonsgegevens in de interne en externe (fraude)registers ongedaan te maken, subsidiair hen veroordeelt tot vermindering van de looptijd van de registraties, op straffe van verbeurte van een dwangsom. De rechtbank heeft de vordering tot verwijdering uit de registers afgewezen, waartegen grief 5 is gericht.

Als niet weersproken gaat het hof ervan uit dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] de persoonsgegevens van [appellant 1] hebben opgenomen in hun Gebeurtenissenadministratie (hierna: GA) en [geïntimeerde 2] de gegevens van [appellant 1] daarnaast heeft opgenomen in het Incidentenregister en het Extern Verwijzingsregister (EVR). Verder heeft [geïntimeerde 2] een melding gedaan bij het Centrum Bestrijding Verzekeringscriminaliteit (CBV). Nationale-Nederlanden deed geen registratie in of melding bij een register of (ander) waarschuwingssysteem.

Voorwaarde voor de in 4.59 genoemde verwerking van persoonsgegevens van strafrechtelijke aard is dat het moet gaan om zodanige concrete feiten en omstandigheden dat zij een als strafbaar feit te kwalificeren bewezenverklaring in de zin van artikel 350 Sv kunnen dragen. Als maatstaf geldt daarvoor dat de vastgestelde gedragingen een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld moeten opleveren, in die zin dat de te verwerken persoonsgegevens van strafrechtelijke aard in voldoende mate moeten vaststaan (vgl. HR 29 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH4720). Daarnaast dient een belangenafweging plaats te vinden overeenkomstig artikel 6 lid 1 aanhef en onder f Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (Algemene verordening gegevensbescherming, hierna: AVG). In dit geval moet concreet beoordeeld worden of in voldoende mate vast staat dat [appellant 1] handelingen heeft verricht die aan de delictsomschrijving van artikel 326 Sr voldoen. Volgens die delictsomschrijving is sprake van oplichting als iemand, “met het oogmerk om zich (…) wederrechtelijk te bevoordelen, (…) door een samenweefsel van verdichtsels, iemand beweegt tot de afgifte van enig goed (…).”

Op grond van hetgeen het hof in dit arrest heeft vastgesteld over de schending van de mededelingsplicht en meer in het bijzonder de tegenstrijdige en aantoonbaar onjuiste verklaringen van [appellant 1] en het gebruik van een aangepast document, met de bedoeling om dat voor echt en authentiek te laten doorgaan, concludeert het hof dat [appellant 1] zich bewust is geweest van het feit dat zijn verklaringen en gedragingen niet juist waren en het oogmerk hadden de Verzekeraars te bewegen om tot uitkering aan [appellanten] over te gaan en daarmee zichzelf wederrechtelijk te bevoordelen. Zijn handelen is te kwalificeren als een poging tot oplichting. Hiermee is sprake van zodanige concrete feiten en omstandigheden dat zij een als strafbaar feit te kwalificeren bewezenverklaring in de zin van artikel 350 Sv kunnen dragen. Daarmee is voldoende komen vast te staan dat de verwerking noodzakelijk is voor de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van de verwerkingsverantwoordelijke of van een derde. Dit betekent dat aan de vereisten is voldaan voor vermelding van de persoonsgegevens van strafrechtelijke aard in de GA, het incidentenregister en het EVR en ook voor een melding aan het CBV. Gezien de ernst van deze gegevens zijn de belangen van [appellant 1] van onvoldoende gewicht om de belangenafweging overeenkomstig artikel 6 lid 1 aanhef en onder f AVG anders te laten uitvallen. Er zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd, en ook overigens niet gebleken, op grond waarvan zou kunnen worden geconcludeerd dat opname in de registers en de duur daarvan niet proportioneel of gerechtvaardigd zouden zijn. Weliswaar hebben [appellanten] in eerste aanleg onder meer onder de aandacht gebracht dat [appellant 1] een zakelijke IBAN-rekening wil kunnen aanvragen en dat hij zich op gebruikelijke voorwaarden moet kunnen verzekeren, maar dat noopt niet tot een ander oordeel. Hierbij heeft het hof mede in aanmerking genomen dat [geïntimeerde 2] heeft toegelicht dat zij een belangenafweging heeft gemaakt en daarbij de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit in acht heeft genomen door gebruik te maken van een zogenaamde ‘proportionaliteitsmatrix’. De uitkomst daarvan heeft geresulteerd in een registratie in haar GA, het incidentenregister en het EVR met een registratieduur van 8 jaar. [appellanten] zijn niet op die toelichting van [geïntimeerde 2] ingegaan. [appellanten] stellen nog dat zij (aanvankelijk) niet deugdelijk zijn geïnformeerd over de verwerking in de registers. Zij hebben echter niet concreet toegelicht dat en waarom deze omstandigheid dient te leiden tot beëindiging van de registraties als zodanig, zodat het hof daaraan voorbij gaat.

Met het voorgaande is grief 5 tevergeefs voorgesteld. De vorderingen genoemd in 4.1 onder j en k zijn niet toewijsbaar.

Bewijsaanbiedingen

[appellanten] hebben in hoger beroep aangeboden te bewijzen dat [appellant 1] niet de bedoeling heeft voorgezeten de Verzekeraars te misleiden tot het doen van een uitkering waar zonder die misleiding geen recht op bestond. Of sprake is van opzet als bedoeld in artikel 7:941 lid 5 BW betreft evenwel een juridische gevolgtrekking die zich als zodanig niet leent voor bewijslevering. Bij de mondelinge behandeling in hoger beroep is aangeboden te bewijzen dat [appellant 1] en zijn zoon de middag voor de brand in het pand waren en vanuit daar - met een tussenstop bij de Albert Heijn in [plaats 7] - naar huis zijn gegaan. Aangeboden is [appellant 1] en zijn zoon als getuigen te horen. Ook als dit bewijs wordt geleverd, doet dat echter niet af aan de (overige) verklaringen van [appellant 1] die mede in het licht van de andere feiten en omstandigheden in deze zaak het oordeel kunnen dragen dat door hem (en daarmee door [appellanten] ) de mededelingsplicht van artikel 7:941 lid 2 BW is geschonden met het opzet de Verzekeraars te misleiden als bedoeld in het vijfde lid van deze bepaling. Aan (tegen)bewijslevering wordt ook anderszins niet toegekomen.

Slotsom en proceskosten

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vorderingen van [appellanten] tot het verkrijgen van dekking niet kunnen worden toegewezen. Ook de gevorderde buitengerechtelijke kosten zijn daarmee niet toewijsbaar. De grieven falen alle. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [appellanten] zijn in het ongelijk gesteld en worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep.

In hoger beroep vorderen [geïntimeerden] veroordeling van [appellanten] in, kort gezegd, de werkelijke kosten van deze procedure. Subsidiair vorderen zij een proceskostenveroordeling op basis van een verdubbeling van het toepasselijke liquidatietarief.

Bij de beoordeling van deze vordering geldt als uitgangspunt dat van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen (als grond voor een vergoedingsplicht die verder strekt dan een proceskostenveroordeling volgens het liquidatietarief), pas sprake is als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM.

[geïntimeerden] hebben geen (incidenteel) hoger beroep ingesteld tegen de in eerste aanleg door de rechtbank uitgesproken proceskostenveroordeling volgens het liquidatietarief en de daaraan ten grondslag gelegde motivering. Verder geldt het volgende. Gelet op het recht op toegang tot de rechter stond het [appellanten] vrij om een procedure tegen de Verzekeraars te beginnen, en om in hoger beroep te gaan tegen een vonnis waarin zij in het ongelijk zijn gesteld. Dat kan niet worden aangemerkt als misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen van [appellanten] zoals bedoeld in 4.66 hiervoor. Hieraan doet niet af dat het hof van oordeel is dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld dat het recht op uitkering is vervallen vanwege opzet tot misleiding als bedoeld in het vijfde lid van artikel 7:941 BW, noch dat [appellant 1] in de loop van de procedure zijn verklaringen heeft aangepast.

Er is dus geen plaats voor een volledige vergoedingsplicht of een verdubbeling van het liquidatietarief in verband met de gemaakte kosten voor de procedure in eerste aanleg en hoger beroep. Het beroep van [geïntimeerden] op 21 Rv noopt niet tot een ander oordeel.

De proceskosten in hoger beroep stelt het hof als volgt vast:

proceskosten [geïntimeerden] :

- griffierecht € 783

- salaris advocaat € 12.434 (tarief VIII × 2 punten)

totaal € 13.217

proceskosten Nationale-Nederlanden:

- griffierecht € 783

- salaris advocaat € 4.426 (tarief IV × 2 punten)

totaal € 5.209

5. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

wijst af de door [appellanten] in hoger beroep deels gewijzigde vorderingen;

veroordeelt [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerden] begroot op € 13.217 en op € 178 voor nasalaris, te vermeerderen met € 92 en met de kosten van het betekeningsexploot, ingeval niet binnen veertien dagen is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordeling(en) en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten, indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de proceskostenveroordeling is voldaan;

veroordeelt [appellanten] hoofdelijk in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Nationale-Nederlanden begroot op € 5.209 en op € 178 voor nasalaris, te vermeerderen met € 92 voor nasalaris en met de kosten van het betekeningsexploot, ingeval niet binnen veertien dagen is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordeling(en) en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten, indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de proceskostenveroordeling is voldaan;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. Hoekzema, J.F. Aalders en M.M. Korsten-Krijnen door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2025.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl RAV 2025/73
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?